Nadat Israël volgens Brakel in het verbond is ingegaan, krijgt het volk wetten “waarnaar zij zich hadden te gedragen”.
Brakel onderscheidt die wetgeving in drie grote groepen: zedelijk, ceremonieel en burgerlijk. Niet omdat de Torah zelf op iedere bladzijde zulke kopjes gebruikt, maar als theologische ordening van verschillende functies.
De zedelijke wet
De morele wet bestuurt volgens Brakel de mens tot een heilig leven. Hier staat de blijvende norm van liefde tot God en de naaste centraal. De Tien Geboden functioneren in zijn systeem als regel voor de bondgenoten, niet als middel van zelfrechtvaardiging.
De ceremoniële wet
De ceremoniën besturen volgens Brakel Israëls eredienst “door het geloof in de toekomende Messias”. Tabernakel, priesters, offers en reinigingen zijn voor hem daarom geen religieus decor naast het Evangelie, maar een onderwijzende, afbeeldende bediening die naar Christus wijst.
Hier moeten we Brakel eerst eerlijk weergeven voordat we zijn typologie toetsen. Zijn claim is niet dat iedere kleine bijzonderheid willekeurig een verborgen code bevat. Zijn hoofdbeweging is dat de ceremoniële dienst als geheel Messiaans en pedagogisch gericht is.
De burgerlijke wet
De burgerlijke bepalingen ordenen Israël als concrete samenleving. Daarmee ziet Brakel dat Gods verbond niet alleen de binnenkamer raakt. Rechtspraak, bestuur en maatschappelijk leven krijgen een plaats in de historische vorm van Israël als volk.
Dit is belangrijk voor de vraag naar Israël: Brakel kan de geestelijke eenheid van het genadeverbond verdedigen en tegelijk erkennen dat Israël een unieke nationale en politieke gestalte kreeg. Die twee niveaus vallen niet samen, maar mogen evenmin achteloos uit elkaar worden getrokken.
De wet als vorming
Deuteronomium 4 laat Israël de geboden bewaren zodat de volken hun wijsheid zien. Dat helpt om de wet niet uitsluitend juridisch te lezen. Gods onderwijzing vormt een volk dat in het gewone leven iets van Zijn recht en heiligheid zichtbaar moet maken.
De ceremoniën verdienen een eigen artikel
Brakel spreekt opmerkelijk positief over de ceremoniële dienst. Hij verzet zich tegen de gedachte dat deze instellingen eenvoudig een straf na het gouden kalf waren. Voor hem waren zij een voorrecht — juist omdat zij Christus verkondigden in schaduw en teken.