Wij lezen Exodus 19 en 20 vaak in één adem. Brakel zet er bewust een grens tussen.
Eerst wordt het verbond plechtig bevestigd. Daarna komt de wet.
“De wet was het verbond niet”
In zijn behandeling van de wet zegt Brakel expliciet dat het verbond aan Horeb vóór de afkondiging van de Tien Geboden werd gemaakt. De Tien Geboden zijn daarom volgens hem niet het verbond zelf, maar worden eraan toegevoegd “als een regel voor de bondgenoten”.
Dat ene onderscheid heeft grote gevolgen. De wet wordt dan niet de ladder waarmee Israël zich tot Gods volk omhoogwerkt. Zij is onderwijs voor een volk dat door Gods handelen reeds in een verbondsbetrekking is geplaatst.
Stof en doel
Brakel maakt vervolgens nog een tweede onderscheid: de inhoud van de morele eis en het doel waarvoor de wet op Sinaï gegeven wordt. De eis van heiligheid is werkelijk volkomen; Gods maatstaf wordt niet lager. Maar het doel van de Sinaïtische wetgeving is volgens hem niet hetzelfde als het doel van het werkverbond met Adam.
Als levensregel staat de wet daarom niet tegenover genade. Brakel kan zelfs zeggen dat het genade is dat de bondgenoten een vaste regel voor hun leven ontvangen.
Gehoorzaamheid als vrucht en teken
Hier voorkomt Brakel dat genade tot vrijblijvendheid wordt. Gehoorzaamheid is plicht. Zij toont oprechtheid. Jakobus’ taal over geloof dat uit werken zichtbaar wordt past in dat kader. Maar werken worden niet de prijs waarmee de belofte gekocht wordt.
Brakel waarschuwt bovendien dat de wet verkeerd gebruikt kan worden. Wanneer mensen haar tot een weg van zelfrechtvaardiging maken, krijgt zij een functie waarvoor zij volgens hem niet aan de bondgenoten gegeven is. Dezelfde wet kan dus juist of verkeerd worden benaderd afhankelijk van de plaats die wij haar geven.
Een verrassend actuele spanning
Dit raakt rechtstreeks aan moderne discussies over Torah en wetticisme. Brakel zou niet accepteren dat iedere serieuze gehoorzaamheid aan Gods geboden daarom automatisch “werkenverbond” is. Tegelijk zou hij evenmin toestaan dat gehoorzaamheid tot grond van rechtvaardiging wordt.
God verlost en verbindt Zich → God geeft Zijn onderwijzing → de bondgenoot antwoordt in gehoorzaamheid.
Maar over welke wetten hebben we het?
Brakel onderscheidt vervolgens zedelijke, ceremoniële en burgerlijke wetten. Dat is geen onbelangrijk schema: elk type wet krijgt bij hem een eigen functie binnen Israëls verbondsleven. Daar gaan we de volgende keer naar kijken.