Wie het nieuws van de afgelopen jaren heeft gevolgd, kan bijna niet om Israël heen. De oorlog in Gaza, de positie van de Palestijnse bevolking, gijzelaars, veiligheid, nederzettingen, antisemitisme en de vraag naar de toekomst van het gebied lopen voortdurend door elkaar heen.
Maar het gesprek blijft niet beperkt tot politiek. Ook in kerken ontstaat spanning. Sommige christenen leggen sterk de nadruk op Gods blijvende beloften aan Israël. Anderen wijzen vooral op het lijden van Palestijnen, onder wie ook Palestijnse christenen. Dezelfde Bijbel wordt gelezen, terwijl de conclusies soms lijnrecht tegenover elkaar staan.
Juist in zo'n situatie is het belangrijk om verschillende vragen niet te snel met elkaar te vermengen. De vraag hoe wij het beleid van de huidige staat Israël beoordelen is niet automatisch dezelfde vraag als wat de Schrift zegt over het Joodse volk. En de vraag naar het lijden van Palestijnen is niet dezelfde vraag als de betekenis van Gods verbonden. Politieke beoordeling, pastorale betrokkenheid, historische verantwoordelijkheid en bijbelse exegese raken elkaar, maar zijn niet identiek.
Waarom een theoloog uit de zeventiende eeuw?
Daarom wil ik de komende tijd teruggaan naar Wilhelmus à Brakel. Niet omdat Brakel onze huidige politieke situatie kon voorzien. Hij leefde eeuwen vóór de oprichting van de moderne staat Israël. Hij kende geen Gaza-oorlog, geen hedendaags zionisme en geen huidige landsgrenzen.
Juist dat maakt hem interessant. Wanneer Brakel over Israël schrijft, doet hij dat niet omdat hij partij moet kiezen in ons huidige politieke debat. Hij probeert vanuit de Schrift te begrijpen hoe Gods handelen met Israël, de kerk en het genadeverbond samenhangt.
Brakel is bovendien geen moderne dispensationalist die Israël en de kerk als twee losstaande heilssystemen naast elkaar zet. Hij verdedigt juist zeer krachtig dat er één genadeverbond is. Het verbond bij Horeb ziet hij als hetzelfde genadeverbond dat God eerder met Abraham had opgericht. Tegelijk weigert hij daaruit te concluderen dat de Joodse natie eenvoudig uit Gods handelen verdwenen is.
“Daar is maar één verbond, namelijk het verbond der genade.”
Die combinatie is belangrijk: één genadeverbond, één heil in Christus, gelovigen uit de volken die worden opgenomen — en toch een toekomstige verwachting voor Israël.
Heeft God Zijn volk verstoten?
Wanneer Brakel Romeinen 11 behandelt, stelt hij precies de vraag die ook vandaag steeds weer terugkeert: heeft God Zijn volk verstoten? Hij leest “Israël” daar niet eenvoudig als een andere naam voor de kerk. Hij spreekt over de Joodse natie en verdedigt dat deze natie niet voor altijd door God verworpen is.
Brakel wijst daarbij ook op Paulus' waarschuwing aan gelovigen uit de heidenen. Zij mogen zich niet verheffen tegenover de afgebroken takken.
“Gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.”
Dat is misschien wel een van de krachtigste beelden in deze hele discussie.
Een tak kan zichzelf belangrijk gaan vinden omdat er bladeren aan komen. Misschien zelfs omdat hij vrucht draagt. Maar hoe groen die tak ook wordt: hij zweeft niet in de lucht. Onder hem zit een stam. Onder die stam zit een wortel. En die wortel draagt hem.
Dat keert iets in ons hart om. Onze menselijke neiging is gemakkelijk om te willen bezitten: onze kerk, onze waarheid, onze plaats, onze uitleg. Vanuit bezit is de stap naar verheffing maar klein. Dan gaan wij ons gedragen alsof wij de boom dragen.
Maar Paulus draait het om:
jij draagt niet — jij wordt gedragen.
Geen hand die de wortel probeert vast te grijpen en zichzelf eigenaar maakt van wat God gegeven heeft, maar een tak die leeft omdat hij ontvangt.
Misschien begint daar ook het gesprek over Israël. Niet bij de vraag hoe wij Israël in ons eigen theologische systeem kunnen inpassen, maar bij de vraag of wij nog beseffen waardoor wij zelf gedragen worden.
Vervolgens gaat Brakel nog verder. Hij spreekt over een toekomstige “gehele nationale bekering” en behandelt uitvoerig Romeinen 11, 2 Korinthe 3, Jeremia 31, Hosea 3, Deuteronomium 30, Amos 9, Ezechiël 37, Jesaja 62 en Zacharia 2. Ook bespreekt hij de mogelijkheid van een terugkeer van de Joden naar hun vaderland.
Dat maakt Brakel moeilijk onder te brengen in eenvoudige moderne etiketten. Hij spreekt sterk over de eenheid van het genadeverbond en de kerk, maar hij laat Israël als historische en toekomstige werkelijkheid niet verdwijnen.
De volgorde bij Sinaï
Ook bij Sinaï is de volgorde belangrijk.
God begint niet met een lijst eisen waarmee Israël zich eerst tot Zijn volk moet opwerken. Hij begint met wat Hij zelf heeft gedaan:
“Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.”
Daarna volgen de geboden.
Brakel noemt de wet daarom een “regel voor de bondgenoten”. De gehoorzaamheid schept het genadeverbond niet. Zij hoort bij het leven van mensen die eerst door God zijn aangesproken, verlost en tot Zich getrokken.
Niet wandelen om in het verbond te kómen, maar wandelen omdat God ons eerst heeft getrokken en bevrijd.
Niet gehoorzaamheid die Gods genade veroorzaakt, maar Gods genade die een mens op zijn voeten zet en vervolgens leert hoe hij mag wandelen.
De gave gaat voorop. Het antwoord volgt.
Waarom is dat vandaag belangrijk?
Nieuwsbronnen laten zien hoe snel verschillende categorieën in elkaar kunnen schuiven. Reuters bericht over het voortdurende geweld en de humanitaire gevolgen in Gaza. Nederlandse berichtgeving van de NOS laat tegelijk zien hoe Joodse instellingen en Joodse Nederlanders met antisemitisme en veiligheidsvragen geconfronteerd worden. Kerkelijke bronnen zoals de Protestantse Kerk in Nederland en de Wereldraad van Kerken laten zien hoe diep de vragen over Israël en Palestina ook binnen de christelijke gemeenschap verdeeldheid kunnen veroorzaken.
Ook internationaal blijkt hoe gevoelig de theologische taal is. Discussies binnen kerken over Palestijnse christenen, antisemitisme, Israël en het verbond raken niet alleen aan buitenlandse politiek, maar aan de manier waarop christenen hun eigen plaats in het Bijbelse verhaal begrijpen.
Daarom is het zinvol opnieuw te vragen: waar begon het genadeverbond volgens Brakel? Wat gebeurde er bij Abraham en bij de Sinaï? Wat was volgens hem de plaats van de wet? Wat veranderde er met Christus? Wie noemt hij de kerk? Wie noemt hij Israël? En wat bedoelt hij wanneer hij zegt dat de Joodse natie nog een toekomst heeft?
De vraag is eerst: wat schreef hij werkelijk, hoe bouwde hij zijn redenering op, en kan die uitleg standhouden wanneer wij haar opnieuw aan de Schrift toetsen?
Brakel krijgt niet het laatste woord
Deze serie is dus geen poging om Brakel als eindautoriteit te gebruiken. Bij iedere aflevering wil ik zijn eigen woorden en vindplaatsen zo nauwkeurig mogelijk vermelden. Eerst moeten we hem eerlijk laten uitspreken. Daarna komt de belangrijkere stap: zijn uitleg naast de Schrift leggen.
Dat betekent ook dat wij geen hedendaagse politieke conclusie rechtstreeks uit een zeventiende-eeuwse verbondsleer zullen afleiden. De moderne staat Israël en het Bijbelse Israël mogen niet zonder verdere argumentatie gelijkgesteld worden. Maar omgekeerd mag de actualiteit ook niet bepalen dat teksten over Israël ineens niets meer met Israël te maken zouden hebben.
De komende afleveringen beginnen daarom bij de basis: Brakels leer van het genadeverbond. Van daaruit volgen Abraham, Sinaï, de Torah als regel voor de bondgenoten, oud en nieuw verbond, Israël en de kerk, Romeinen 9–11, de olijfboom, de toekomstige bekering en de landbelofte.
Brakel leefde ruim drie eeuwen geleden. De vragen waarover hij schreef staan opnieuw midden in kerk en samenleving. Misschien is dit daarom juist een goed moment om zijn boeken weer open te slaan.
En terwijl we dat doen, blijft die ene zin voorlopig boven deze serie hangen:
“Gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.”
Want voordat we vragen welke plaats Israël heeft, is het misschien goed dat wij onszelf eerst afvragen:
staan wij tegenover de wortel als mensen die haar willen bezitten — of als mensen die beseffen dat zij gedragen worden?