Wanneer wij Brakel over Israël en de verbonden willen begrijpen, is het verleidelijk om meteen naar Romeinen 11 te springen. Brakel zelf doet dat niet. Hij begint veel eerder. In het eerste hoofdstuk van deel III zet hij eerst de lange lijn van Gods kerk uiteen en onderscheidt hij het Oude en het Nieuwe Testament als twee bedieningen van dezelfde genadewerkelijkheid.

Waar staan we in Brakels werk?

Deel III begint met “Van de Kerk van het Oude Testament en in ’t bijzonder van Adam op Abraham”. Daarmee maakt Brakel zijn methode meteen zichtbaar: voordat hij Abraham, Sinaï of Israël als natie behandelt, vraagt hij hoe God Zijn kerk vóór Abraham bewaarde. Voor hem begint de geschiedenis van Gods volk dus niet pas bij Exodus 19.

De hoofdstelling

Brakels uitgangspunt is dat Oud en Nieuw niet twee verschillende wegen van zaligheid zijn. Hij spreekt over verschillende bedieningen, verschillende graden van licht en verschillende tekenen, maar de dragende werkelijkheid blijft het genadeverbond. Dat voorkomt bij hem dat het Oude Testament wordt gereduceerd tot een periode waarin mensen door werken moesten leven totdat Christus een ander systeem bracht.

Die formulering vraagt zorgvuldigheid. Brakel ontkent niet dat er werkelijk verschil is. De oude bedeling kende beloften, voorbeelden, schaduwen en ceremoniën. De nieuwe bedeling kent de gekomen Messias en een grotere helderheid. Maar verschil in bediening is voor hem iets anders dan verschil in heilsgrond.

Waarom dit belangrijk is voor Israël

Hier wordt de basis gelegd voor alles wat later volgt. Als het heil in het Oude Testament in wezen hetzelfde genadeverbond is, dan kan Israël niet eenvoudig worden beschreven als een volk dat uitsluitend onder een tegengesteld “wetsverbond” stond. De wet, de offerdienst, de beloften en de nationale geschiedenis moeten dan binnen een reeds bestaande genadige omgang van God gelezen worden.

Dat betekent niet automatisch dat iedere Israëliet innerlijk gelovig was. Brakel zal later juist scherp onderscheiden tussen uiterlijke betrekking en waar geloof. Maar dat onderscheid komt pas nadat hij de verbondsgrond heeft vastgesteld. Eerst God en Zijn belofte; daarna de vraag hoe mensen daarop antwoorden.

Schrift boven Brakel

Brakels stelling nodigt uit tot een concrete toets. Hebreeën 11 beschrijft oudtestamentische gelovigen als mensen die door geloof leefden. Galaten 3 verbindt de belofte aan Abraham met Christus. Tegelijk gebruikt Hebreeën 8–10 krachtige taal over oud en nieuw. De vraag is daarom niet óf er verschil is, maar welk soort verschil de Schrift zelf tekent.

Toetsvraag: wanneer de Schrift de oude en nieuwe bedeling onderscheidt, gaat het dan om twee wegen tot God, of om de voortgang en vervulling van één door God gegeven belofte?

De beweging van deze serie

De volgende stap is nog fundamenteler. Brakel laat het genadeverbond niet bij Abraham beginnen. Hij gaat terug naar het paradijs, naar het moment waarop de mens juist niets meer heeft om op te bouwen. Daar, na de val, laat hij de eerste openbaring van het Evangelie beginnen.