Brakel begint het genadeverbond niet waar de mens iets heeft opgebouwd, maar waar alles is ingestort.
Dat is misschien wel de meest bepalende beweging in zijn verbondsleer. Na de val van Adam ziet hij niet eerst een nieuwe menselijke opdracht waardoor de mens zich weer naar God moet opwerken. Hij ziet Gods eigen spreken: de belofte die in het paradijs klinkt en die hij als eerste evangelische openbaring leest.
Van werk naar genade
In Brakels schema staat het verbond der werken vóór de val. De overtreding verbreekt de weg waarop de mens door volmaakte gehoorzaamheid het leven zou bezitten. Juist daarom kan de redding na Genesis 3 voor Brakel niet bestaan uit een hernieuwde poging dezelfde prestatie alsnog te leveren. Het initiatief verschuift geheel naar Gods belofte.
Brakel verbindt die belofte met Genesis 3:15. De strijd tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang wordt door hem christologisch gelezen: Gods antwoord op de val is de aankondiging van de komende Overwinnaar. Dat wordt de bedding waarin hij ook Abel, Henoch en Noach leest.
De kerk vóór Abraham
Daarmee is er volgens Brakel al vóór Israël een kerk. Niet een kerk los van de latere geschiedenis van Israël, maar een vroege fase van dezelfde heilslijn. Abel offert in geloof, Henoch wandelt met God, Noach vindt genade en wordt bewaard. Hebreeën 11 helpt Brakel om deze geschiedenis niet als losse vrome voorbeelden te lezen, maar als geloofsgeschiedenis.
Dat is belangrijk voor de latere vraag naar Abraham. Wanneer God Abraham roept, begint Hij volgens Brakel niet ineens voor het eerst met genade. Hij vernauwt en concentreert een reeds bestaande genadige geschiedenis in één man en zijn zaad.
Een reformatorisch accent
Hier klinkt een klassiek reformatorisch motief: de mens wordt niet de oorsprong van zijn herstel. Waar onze zelfhandhaving faalt, blijkt genade geen laatste redmiddel maar de eerste grond. Het geloof is antwoord op een voorafgaand Woord.
Dat betekent niet dat Brakel menselijke gehoorzaamheid onbelangrijk vindt. Integendeel. Maar gehoorzaamheid krijgt haar plaats ná Gods spreken. Zij wordt vrucht, antwoord en levenswandel; niet de bron waaruit het verbond ontstaat.
Volgende stap: Abraham
Na deze brede voorgeschiedenis komt Brakel bij Abraham. Daar verandert de vorm van de geschiedenis ingrijpend: Gods kerk krijgt een bijzondere verbondenheid met één familie en één volk. De vraag wordt dan hoe universaliteit van genade en bijzonderheid van Israël zich tot elkaar verhouden.