Bij Abraham wordt Gods weg smaller — en juist daardoor krijgt zij een wereldwijde horizon.

Brakel beschrijft de periode vóór Abraham als een tijd waarin Gods kerk onder verschillende volken gevonden werd. Met Abraham krijgt die geschiedenis een bijzondere nationale bedding: God neemt Abraham en zijn zaad apart. Dat is geen verwerping van Zijn eerdere genade, maar een nieuwe historische vorm ervan.

De roeping gaat van God uit

Genesis 12 begint niet met Abraham die God vindt, maar met God Die Abraham roept. “Ga uit uw land…” De belofte die volgt omvat zaad, land, naam en zegen; tegelijk reikt zij verder dan Abraham zelf: in hem zullen de geslachten van de aarde gezegend worden.

Brakels verbondsdenken kan daarom niet worden teruggebracht tot individualistische verlossing. God bindt Zijn heilsgeschiedenis aan een familie, aan generaties, aan zichtbare tekenen en later aan een volk. De verbondsrelatie krijgt geschiedenis, lichaam, plaats en gemeenschap.

Wat bedoelt Brakel met ‘nationaal’?

Hier moet precies gelezen worden. Wanneer Brakel nationale taal gebruikt, bedoelt hij niet dat er naast het genadeverbond een zelfstandig nationaal heilsverbond ontstaat. Hij kan spreken over Gods verbond met Abraham en zijn nageslacht als een verbond dat met die natie wordt bediend, maar hij houdt vast aan dezelfde genadegrond.

Dat geeft meteen spanning. Niet iedereen die tot Abrahams lichamelijke nageslacht behoort, leeft uit geloof. Paulus zal in Romeinen 4 juist Abraham als vader van gelovigen tekenen. Brakel lost dat niet op door de concrete familiebelofte te ontkennen; hij maakt later onderscheid tussen uiterlijke verbondsbetrekking en innerlijk geloof.

Abraham in Paulus

Romeinen 4 en Galaten 3 zijn daarom cruciaal. Paulus maakt Abraham niet los van zijn historische roeping, maar laat zien dat de rechtvaardiging reeds bij hem door geloof is. De belofte gaat aan Sinaï vooraf. Galaten 3 benadrukt bovendien dat de later gegeven wet de eerder door God bevestigde belofte niet ongeldig maakt.

Dat sluit nauw aan bij Brakels latere behandeling van Horeb: de volgorde van de Schrift is voor hem theologisch gewicht. Eerst belofte; daarna wetgeving. Eerst Gods handelen; daarna het leven van de bondgenoten.

Toetsvraag: kunnen wij Abrahams bijzondere roeping en de zegen voor de volken tegelijk vasthouden, zonder het ene door het andere te laten verdwijnen?

Het teken komt erbij

In de volgende aflevering kijken we naar de besnijdenis. Voor Brakel is dat niet een middel waarmee Abraham en zijn zaad het verbond verdienen. Hij noemt haar een zegel van het genadeverbond. Daarmee wordt zichtbaar hoe teken, belofte, lichaam en geloof in zijn systeem samenkomen.