“Heeft God Zijn volk verstoten?”

Brakel laat die vraag niet oplossen door het woord “volk” meteen een andere betekenis te geven. Hij zegt expliciet dat hij over de Joodse natie spreekt.

Van verstoting naar verwachting

Hoofdstuk 6 heeft eerst de overgang van Joden naar heidenen in de kerkgeschiedenis behandeld. Daarna stelt Brakel de bedenking: is die verstoting definitief? Zijn antwoord is nee. Hij verwacht dat de Joodse natie nog zal erkennen dat Jezus de beloofde Messias is.

Hij bedoelt daarbij niet alleen Juda en Benjamin. Hij spreekt uitdrukkelijk over de natie in brede zin en behandelt ook de verspreiding van de stammen. Zijn historische redeneringen zijn zeventiende-eeuws en moeten als zodanig gelezen worden, maar zijn theologische intentie is helder: de verstrooiing maakt Gods toekomstige handelen met Israël niet onmogelijk.

Romeinen 11 als eerste hoofdtekst

Brakel begint zijn bewijs in het Nieuwe Testament met Romeinen 11. Paulus zelf opent met een ontkenning: God heeft Zijn volk niet verstoten. Daarna volgt de spanning van struikeling, aanneming, jaloers maken en leven uit de doden.

Voor Brakel is vooral belangrijk dat Paulus over een toekomstige beweging spreekt. De huidige verharding is niet het laatste woord. Het “totdat” van Romeinen 11:25 krijgt daarom eschatologisch gewicht.

Geen automatische zaligheid

Brakels verwachting van Israël betekent niet dat afkomst op zichzelf redt. Zijn hele verbondsleer heeft juist onderscheid gemaakt tussen uiterlijke betrekking en geloof. De toekomst die hij verwacht is bekering: erkenning en belijdenis van de Messias.

Waarom deze vraag ook de heiden aangaat

Paulus vertelt de heidengelovige niet alleen informatie over Israëls toekomst. Hij corrigeert een houding. De vraag naar Israël wordt daarmee ook een spiegel: wat doet genade met onze omgang met degenen van wie de verbondsgeschiedenis ons voorafging?

De volgende aflevering gaat daarom niet eerst over een tijdschema, maar over een boom: wortel, natuurlijke takken en wilde takken.