Voor Brakel brengt de komst van de heidenen geen tweede boom voort.

Hij spreekt over de uitbreiding van dezelfde genadegoederen tot de volken en over Joden en heidenen die samen één kerk uitmaken.

Geen tegenstelling van kerk tegen kerk

In zijn bespreking van Galaten 4 maakt Brakel een belangrijk onderscheid. Wanneer heidenen nu de aanneming tot kinderen ontvangen, ziet hij daar niet noodzakelijk een tegenstelling tussen een oude Joodse kerk zonder kindschap en een nieuwe kerk mét kindschap. Hij noemt het een overgang waarbij nu ook de heidenen de goederen van het genadeverbond ontvangen.

Dat sluit aan bij Efeze 2: mensen die vreemd waren aan de verbonden der belofte worden nabijgebracht en samen gebouwd. Paulus’ beeld is niet dat Israël volledig wordt afgebroken en vervangen door een geheel nieuw verhaal, maar dat vijandschap wordt weggenomen en toegang tot God wordt geopend.

Eenheid is niet hetzelfde als uitwissing

Hier wordt de spanning van onze serie scherper. Brakel is sterk op de eenheid van de kerk. Hij gebruikt geen schema van twee blijvend gescheiden heilsgemeenschappen. Gelovige Joden en gelovige heidenen behoren tot Christus en vormen samen één kerk.

Maar uit die kerkelijke eenheid concludeert Brakel later niet dat de term “Israël” in Romeinen 11 alleen nog maar “kerk” kan betekenen. Wanneer Paulus vraagt of God Zijn volk verstoten heeft, laat Brakel de Joodse natie juist opnieuw nadrukkelijk in beeld komen.

De olijfboom wacht al

Romeinen 11 helpt om deze twee lijnen samen te houden. Er is één olijfboom. Wilde takken worden ingeënt. Natuurlijke takken worden vanwege ongeloof afgebroken en kunnen opnieuw worden ingeënt. Eenheid van boom betekent dus niet identiteit van geschiedenis.

Daarom is “één kerk” bij Brakel niet hetzelfde als een simpele formule van vervanging. Tegelijk is hij ook geen moderne dispensationalist. Zijn model vraagt een moeilijkere vraag: hoe kan één heilsgemeenschap ruimte bieden aan een blijvende historische betekenis van Israël?

Dat wordt de centrale spanning van de volgende artikelen: één kerk uit Joden en heidenen — en toch een toekomstige bekering van de Joodse natie.

De vraag die Brakel zelf stelt

Nu zijn we aangekomen bij hoofdstuk 6, paragraaf 11. Brakel formuleert daar de vraag zonder omwegen: zal de Joodse natie voor altijd verstoten blijven, of zal zij nog tot bekering komen?