Een ingeënte tak heeft geen reden om neer te kijken op de takken waarvan hij afhankelijk is geworden.

Dat is de pastorale kracht waarmee Brakel Romeinen 11 leest.

De boom blijft één

Brakel ziet de olijfboom als beeld van de verbondsgemeenschap die met Abraham, Izak en Jakob verbonden is. Heidenen worden niet geplant in een tweede, concurrerende boom. Zij worden als wilde takken ingeënt.

Daarom benadrukt hij Paulus’ waarschuwing: “Gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.” De beweging van genade geeft de heiden geen nieuwe superioriteit. Zij maakt hem ontvanger.

Natuurlijke takken

De afgebroken Joodse takken worden in Romeinen 11 nog steeds “natuurlijke” takken genoemd. Dat is voor Brakel belangrijk. Hun ongeloof is werkelijk en ernstig; zij zijn afgebroken. Maar hun verhouding tot de boom wordt niet herschreven alsof zij nooit natuurlijke takken waren.

Paulus’ argument gaat verder: God is machtig hen opnieuw in hun eigen olijfboom te enten. Brakel leest dat als toekomstverwachting voor de Joodse natie.

Genade breekt hoogmoed

De leer van Israël is hier meteen leer van de kerk. Als wij menen dat onze plaats rust op iets wat wij zelf dragen, draait Paulus het beeld om. Wij dragen de wortel niet.

Dat sluit opvallend aan bij Brakels bredere genadetheologie. De bondgenoot leeft niet uit zelfhandhaving maar uit een ontvangen belofte. Daarom is roemen tegen de afgebroken takken een innerlijke tegenspraak: men verheft zich juist op grond van genade.

De wortelvraag

Wie of wat precies met “wortel” wordt bedoeld, kan exegetisch verder worden besproken: de patriarchale beloften, Abraham of de dragende heilsgrond in Gods belofte. Voor Brakels argument is vooral van belang dat de heidenchristen niet het historische beginpunt is.

Waar rust onze zekerheid? In de gedachte dat wij de geschiedenis hebben overgenomen — of in het besef dat wij gedragen worden door Gods trouw aan Zijn eigen spreken?

“Geheel Israël”

Vervolgens komt de bekendste zin: “En alzo zal geheel Israël zalig worden.” Brakel verstaat dit als nationale bekering. Maar hij bedoelt daarmee niet dat iedere individuele Jood zonder geloof zalig wordt. Dat onderscheid staat centraal in het volgende artikel.