Wanneer Brakel schrijft over een “gehele nationale bekering”, gebruikt hij grote woorden. Daarom moeten we precies vragen wat hij bedoelt.
Niet ieder individu zonder uitzondering
Brakel maakt duidelijk dat “geheel Israël” volgens hem een nationale aanduiding is. Hij verwacht een zeer brede, herkenbare omkeer van de Joodse natie tot de Messias. Dat betekent niet dat ieder afzonderlijk mens van Joodse afkomst automatisch wedergeboren is.
Die begrenzing past bij zijn eerdere verbondsleer: lichamelijke of nationale betrekking en persoonlijk geloof mogen niet identiek gemaakt worden.
Waarom hij Romeinen 11 zo leest
De opeenvolging in Paulus’ betoog is voor Brakel doorslaggevend. Een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen “totdat” de volheid van de heidenen binnengaat. Daarna volgt “en zo zal heel Israël gered worden” en een verwijzing naar de Verlosser uit Sion.
Brakel wil “Israël” in dit deel van de zin niet plotseling laten omslaan naar een volledig andere referent zonder tekstuele noodzaak. Dezelfde natie waarvan verharding wordt beschreven, is volgens hem de natie waarvan toekomstige omkeer wordt verwacht.
Geliefden om der vaderen wil
Romeinen 11:28–29 krijgt daarbij bijzondere betekenis. Vijandschap ten opzichte van het Evangelie en geliefd-zijn om der vaderen wil staan naast elkaar. De gaven en roeping van God worden onberouwelijk genoemd. Brakel hoort daarin geen goedkope vrijspraak van ongeloof, maar wel een grens tegen definitieve afschrijving.
Verbondstrouw als dragende grond
Deze passage verklaart waarom Brakel zijn Israëlsverwachting niet als los eindtijdonderwerp behandelt. Zij hangt samen met zijn leer over Gods onveranderlijkheid. Wat God aan Abraham en zijn zaad beloofde, vormt voor hem een reden om toekomst te verwachten.
Brakel stapelt vervolgens teksten
Na Romeinen 11 is hij niet klaar. Hij gaat naar 2 Korinthe 3, woorden van Yeshua en verschillende profeten. Daarmee probeert hij te tonen dat zijn verwachting niet op één moeilijke formulering rust.