Brakels eenheid van het verbond rust uiteindelijk niet op Abraham, Mozes of de kerk.

Zij rust op Christus.

De vraag van hoofdstuk 4

Brakel bespreekt een technisch klinkende maar fundamentele vraag: was Christus in het Oude Testament dezelfde soort Borg als in het Nieuwe? Sommigen wilden zeggen dat Hij vóór Zijn historische lijden slechts voorwaardelijk of voorlopig borg stond.

Brakel wijst dat af. Voor hem heeft Christus de schuld van de uitverkorenen werkelijk op Zich genomen, ook vóór Golgotha historisch plaatsvond. De betaling lag in de toekomst, maar Gods toezegging en de borgtocht waren niet onzeker.

“Daar is maar één verbond”

Een van Brakels bewijzen is juist de eenheid van het genadeverbond. Eén verbond, één Borg en bondgenoten die in alle tijden hun recht op dezelfde genade niet aan verschillende verlossers ontlenen. Daardoor kan hij de oudtestamentische gelovige werkelijk verzoend noemen.

De tijd van het kruis en de kracht van het kruis

Hier maakt Brakel een onderscheid tussen de historische volbrenging en de heilzame kracht. Christus sterft éénmaal in de geschiedenis. Maar Gods handelen wordt niet beperkt alsof niemand vóór Goede Vrijdag werkelijk vergeving kon ontvangen.

Romeinen 3 spreekt over Gods verdraagzaamheid ten aanzien van eerder bedreven zonden en over de openbaring van Zijn gerechtigheid in Christus. Hebreeën 9 verbindt Christus’ dood met de verlossing van overtredingen onder het eerste testament. Zulke teksten vormen de bijbelse toets voor Brakels stelling.

Waarom dit voor Israël relevant is

Als Christus ook vóór Zijn komst de enige Borg is, dan is Brakels spreken over het Oude Testament niet een spreken over “Joods heil zonder Christus”. Maar omgekeerd betekent dat ook dat Christus niet buiten Israëls Schrift en verbondsgeschiedenis verschijnt. De Borg Die Brakel belijdt is de beloofde Messias binnen die geschiedenis.

De troost ligt niet in onze plaats in de tijdlijn, maar in de betrouwbaarheid van de Borg. Gods belofte was vóór de historische vervulling niet onzeker omdat de vervulling voor Hem niet onzeker was.

Wat betekende dit voor de gelovigen zelf?

Hoofdstuk 5 trekt de consequentie: oudtestamentische gelovigen hadden volgens Brakel werkelijk vergeving, vrede, kindschap en de Heilige Geest. Dat onderzoeken we in de volgende aflevering.