Een teken kan zichtbaar zijn zonder de bron van het heil te worden.
Dat onderscheid bewaakt Brakel wanneer hij de besnijdenis behandelt. Het teken staat letterlijk in het lichaam van Abrahams mannelijke nageslacht, maar volgens Brakel verzegelt het niet hun eigen verdienste. Het wijst naar Gods verbondsbelofte en naar de gerechtigheid die door geloof ontvangen wordt.
Brakels kern: een zegel
Brakel noemt de besnijdenis een zegel van het genadeverbond. Daarmee sluit hij aan bij Paulus in Romeinen 4, waar Abraham het teken van de besnijdenis ontvangt als zegel van de gerechtigheid van het geloof dat hij reeds had vóór hij besneden werd.
De volgorde is opnieuw veelzeggend. Abraham gelooft Gods belofte; daarna ontvangt hij het teken. Het teken maakt Gods spreken niet waar. Het bevestigt en verzegelt wat God heeft toegezegd.
Lichamelijk én geestelijk
Brakel laat de besnijdenis tegelijk meerdere functies dragen. Zij markeert behoren tot het verbondsvolk, zij verwijst naar reiniging van het hart en zij staat binnen de verwachting van de komende Messias. De zichtbare handeling en de geestelijke betekenis mogen dus niet tegen elkaar worden uitgespeeld.
Dat is voor ons onderzoek relevant omdat hier al een patroon ontstaat dat later bij de Sinaïtische ceremoniën terugkomt: uitwendige vormen zijn voor Brakel niet automatisch ‘vleselijk’ of tegengesteld aan genade. De vraag is waarnaar zij verwijzen en welke plaats zij binnen Gods belofte innemen.
Geen automatisme
Tegelijk kent Brakel aan het teken geen automatische zaligmakende werking toe. De geschiedenis van Israël zelf maakt volgens hem duidelijk dat uiterlijke deelname en innerlijk geloof niet samenvallen. Dat voorkomt twee tegenovergestelde reducties: het teken is niet niets, maar het teken is ook niet de bron.
Paulus bewaakt dezelfde spanning. Romeinen 4 neemt de lichamelijke besnijdenis serieus, maar plaatst de rechtvaardiging vóór het teken. De profeten spreken later over besnijdenis van het hart. Zo wordt het zichtbare teken onderdeel van een grotere beweging van Gods belofte en menselijke beantwoording.
Naar Horeb
Na Abraham brengt Brakel ons naar Sinaï. Daar wordt de vraag veel scherper: ontstaat er nu een nieuw verbond dat op werken rust, of wordt het bestaande genadeverbond plechtig vernieuwd? Brakels antwoord is ondubbelzinnig.