In Genesis 15 vraagt Abram hoe hij zeker kan weten dat het beloofde land zijn nageslacht zal toebehoren. God laat hem dieren gereedmaken voor een verbondshandeling. Terwijl Abram in een diepe slaap valt, klinkt ook een ernstige boodschap: zijn nakomelingen zullen vreemdelingen zijn en verdrukt worden, voordat zij terugkeren. De belofte betekent dus niet dat er geen lange weg of lijden tussen het spreken en de vervulling zal liggen.
Wanneer het donker wordt, gaan een rokende oven en een vurige fakkel tussen de stukken door (Genesis 15:17). Abram gaat daar niet zelf tussendoor. In deze voorstelling komt de nadruk te liggen op Gods eigen toezegging. Het verbond draagt niet in de eerste plaats de vorm van een menselijke prestatie, maar van Gods spreken en handelen.
En dan begint Genesis 16. Sarai heeft nog altijd geen kind gekregen. Na tien jaren in Kanaän stelt zij voor dat Abram een kind zal krijgen bij Hagar, haar Egyptische slavin. We hoeven de menselijke nood achter dat besluit niet klein te maken. Maar Hagar wordt in deze poging om de toekomst te regelen wel een kwetsbaar mens tussen anderen die over haar beslissen. Wanneer er conflict ontstaat, vlucht zij.
Daar, aan een waterbron in de woestijn, staat een werkwoord dat ik niet wil overslaan: „En de Engel des HEEREN vond haar” (Genesis 16:7). Hagar is op de vlucht, maar zij blijft niet buiten Gods blik. De Engel vraagt waar zij vandaan komt en waarheen zij gaat. Hij noemt haar bij haar naam en spreekt over haar kind.
De naam Ismaël houdt verband met horen: de HEERE heeft haar verdrukking gehoord (Genesis 16:11). En Hagar spreekt over de God Die haar ziet. Horen en zien komen hier samen. De vrouw over wie anderen beschikken, is voor God geen naamloze bijfiguur.
De opdracht die Hagar in deze bijzondere geschiedenis krijgt om terug te gaan, is geen algemene regel dat iemand gevaar of mishandeling maar moet verdragen. Juist de ernst van haar situatie vraagt dat we niet achteloos over haar heen lezen.
Zo ontmoeten we in twee opeenvolgende hoofdstukken de God Die zijn belofte aan Abram bevestigt en de God Die een vluchtende slavin vindt. De beloften aan Abram maken Hagar niet onzichtbaar. Ik vraag mij af hoeveel mensen wij voorbijlopen, terwijl God hun nood hoort en hen bij name kent.