Abram is teruggekeerd van de strijd. De koning van Sodom biedt hem de buit aan, als hij de mensen maar teruggeeft. Maar Abram weigert. Hij heeft zijn hand opgeheven tot de HEERE, God de Allerhoogste, en wil niet dat de koning later kan zeggen: „Ik heb Abram rijk gemaakt” (Genesis 14:22–23). De overwinning mag niet het begin worden van een nieuwe afhankelijkheid van Sodom.
Juist daarna begint Genesis 15 met het woord van de HEERE: „Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.” Het is opmerkelijk hoe die woorden aansluiten bij wat er zojuist is gebeurd. Abram heeft de buit afgewezen; God spreekt over zijn bescherming en zijn loon. Daarmee is nog niet gezegd dat alle onzekerheid verdwenen is.
Want Abram stelt meteen een vraag: wat zult U mij geven, nu ik kinderloos heenga? Zijn bezit is gegroeid, maar de zoon die God hem beloofd heeft, is er niet. De belofte van een groot nageslacht staat naast de zichtbare werkelijkheid van zijn lege huis. Abram houdt zijn vraag niet voor God verborgen.
Dan brengt God hem naar buiten. „Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt.” Abram kan de sterren zien. Maar ze tellen kan hij niet, en het nageslacht waarover God spreekt, ziet hij nog niet. Hij krijgt geen datum waarop de belofte vervuld zal worden. Hij hoort opnieuw Wie haar geeft.
En dan volgt die ene zin: „En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid” (Genesis 15:6). Eerst is er Gods spreken. Dan Abrams vertrouwen. De tekst zegt niet dat hij de belofte door een bijzondere prestatie dichterbij heeft gebracht.
Paulus keert naar deze geschiedenis terug in Romeinen 4 en Galaten 3. Hij spreekt over gerechtigheid die niet als loon voor eigen werken wordt verdiend, maar verbonden is met het geloof in Gods belofte. We mogen die apostolische uitleg niet losmaken van de geschiedenis waarin Abram zijn vragen stelt en Gods antwoord hoort.
Ik vind daarin troost. Wij hoeven onze vragen niet te verbergen alsof zij nooit bij geloof kunnen horen. De zekerheid rust uiteindelijk niet op wat wij al in handen hebben, maar op de trouw van Hem Die spreekt. Abram heeft nog geen zoon. Hij heeft Gods Woord.