De geschiedenis begint met oorlog. Lot wordt met de bewoners van Sodom weggevoerd, en Abram hoort dat zijn neef gevangen is genomen. Eerder hadden zij zich van elkaar afgescheiden. Toch gaat Abram achter hem aan. Hij verzamelt zijn geoefende mannen, achtervolgt de rovers en brengt Lot, de andere gevangenen en hun bezittingen terug. Het loslaten van de eerste keuze in Genesis 13 was geen loslaten van de verantwoordelijkheid voor zijn naaste.

Bij zijn terugkeer ontmoet Abram twee koningen. De koning van Sodom komt hem tegemoet. Maar eerst vertelt Genesis over Melchizedek, koning van Salem en priester van God de Allerhoogste. Hij brengt brood en wijn naar buiten en spreekt een zegen uit over Abram.

Luister naar de woorden van die zegen: „Gezegend zij Abram Gode, den Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!” En vervolgens: „Gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft!” (Genesis 14:19–20). Abram heeft werkelijk gehandeld en gestreden. Toch richt Melchizedek zijn blik op God als Degene aan Wie de overwinning te danken is.

Abram geeft Melchizedek een tiende. Dat gebaar staat midden in het verhaal, tussen strijd en de ontmoeting met de koning van Sodom. In de volgende lezing blijkt hoe verschillend Abram op beide koningen reageert. Hij ontvangt de zegen die naar God wijst, maar hij wil niet dat de koning van Sodom later kan zeggen dat hij Abram rijk gemaakt heeft.

Veel later spreekt Psalm 110 over een priester naar de ordening van Melchizedek. De brief aan de Hebreeën verbindt die lijn met de Messias (Hebreeën 7). Die latere verbinding is kostbaar, maar we hoeven daarom het eerste tafereel niet over te slaan: een bevrijde neef, brood en wijn voor de terugkerende strijder, en een zegen die God grootmaakt.

De vraag die ik uit deze geschiedenis meeneem, is niet alleen wat wij ontvangen. Ook van wie wij het ontvangen, en aan wie wij daarna de eer geven, doet ertoe.