Abram en Lot hebben veel vee en bezit. Hun herders krijgen onenigheid, en het land kan hun kudden niet langer op dezelfde plaats dragen. Abram stelt daarom een scheiding voor. Hij laat Lot kiezen waar hij heen zal trekken. Dat is op zichzelf al opmerkelijk: Abram, aan wie het land beloofd is, houdt niet krampachtig de eerste keuze vast.
Let eens op de woorden waarmee Genesis vertelt wat daarna gebeurt. Lot „sloeg zijn ogen op” en zag de waterrijke Jordaanvlakte (Genesis 13:10). Zij leek op de hof van de HEERE en op het land Egypte. Het was begrijpelijk dat die vlakte aantrekkelijk was. De tekst zegt niet eenvoudig dat iedere keuze voor vruchtbaar land verkeerd is. Maar de verteller noemt ook Sodom, en kort daarna de verdorvenheid van haar inwoners. Wat gunstig lijkt, is nog niet de hele werkelijkheid.
Pas nadat Lot zich heeft afgescheiden, spreekt de HEERE opnieuw tot Abram: „Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt” (Genesis 13:14). Beiden heffen hun ogen op. Lot ziet een land dat hij kan kiezen; Abram krijgt van God te horen welk land Hij zal geven. Dat verschil komt niet voort uit de ogen zelf, maar uit de woorden die erop volgen.
God herhaalt zijn belofte over het land en het nageslacht. En Abram krijgt ook iets te doen: „Maak u op, wandel door dit land” (Genesis 13:17). Ontvangen maakt hem niet onbeweeglijk. Hij mag gaan, het land doortrekken en erin wonen zonder zich de vervulling zelf toe te eigenen. Bij Hebron bouwt hij opnieuw een altaar.
Ik lees deze geschiedenis daarom niet als een verbod om te kiezen. Wel als een uitnodiging onze keuzes te onderzoeken. Laten wij ons alleen leiden door wat nu aantrekkelijk lijkt? Of luisteren wij ook naar het Woord dat ons leert wat wij niet zelf kunnen verwerven?