In Egypte krijgt Abrams plan een pijnlijke afloop. Sarai wordt in het huis van de farao opgenomen. De HEERE treft het huis van de farao met plagen, en de farao spreekt Abram aan op wat hij verzwegen heeft. Hij laat Sarai terugbrengen en stuurt hen weg. Opmerkelijk genoeg is het niet Abram die zijn eigen oplossing tot een goed einde brengt. God grijpt in, terwijl Abram juist dacht zichzelf te moeten beschermen.
De Schrift verzwijgt ook niet dat Abram uit Egypte wegtrekt met veel bezit. Dat maakt deze geschiedenis ongemakkelijk. Welvaart is hier niet eenvoudig het bewijs dat Abram juist heeft gehandeld. Het verhaal vraagt ons scherper te kijken dan alleen naar wat iemand aan zijn tocht overhoudt.
Dan volgen in Genesis 13 woorden die we gemakkelijk voorbijlezen. Abram trekt terug naar de plaats tussen Bethel en Ai, waar zijn tent eerder had gestaan, naar de plaats van het altaar dat hij daar aanvankelijk gemaakt had. „En Abram riep daar den Naam des HEEREN aan” (Genesis 13:4). Het is bijna een herhaling van Genesis 12:8. Eerst lezen we hoe hij daar Gods Naam aanriep. Nu, na Egypte, klinkt hetzelfde opnieuw.
Hij keert dus niet alleen terug langs dezelfde route. Het verhaal brengt ons terug bij dezelfde plaats en dezelfde Naam. Er staat niet dat Abram met een indrukwekkende prestatie zijn misstap heeft goedgemaakt. We lezen dat hij opnieuw de HEERE aanroept.
Misschien herkennen wij dat. Wij kunnen na een verkeerde keuze zo bezig zijn met wat we zelf moeten herstellen, dat we vergeten waar de weg terug begint. Niet bij een verhaal waarin we onszelf alsnog gelijk geven, maar bij de HEERE Die Abram niet had losgelaten. Zijn Naam mag opnieuw worden aangeroepen.