Het eerste wat de HEERE tegen Abram zegt, is geen uitleg van de weg. Het is een opdracht: „Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.” Abram moet op weg voordat hij weet waar hij uitkomt. Hij krijgt geen kaart, maar een woord.

Bij die opdracht horen beloften. God zegt niet alleen dat Abram moet gaan. Hij zegt ook: „Ik zal u tot een groot volk maken”, „Ik zal u zegenen” en „Ik zal uw naam groot maken”. Dat laatste valt op wanneer we teruglezen. In Babel wilden mensen zichzelf een naam maken (Genesis 11:4). Bij Abram klinkt het anders: niet de mens maakt zijn naam groot, God belooft het te doen. Dat is een verband tussen beide geschiedenissen, geen reden om alle verschillen ertussen uit te wissen.

Abram gaat, zoals de HEERE gesproken heeft. Wanneer God hem in Kanaän verschijnt en het land aan zijn nageslacht belooft, bouwt Abram een altaar (Genesis 12:7). De belofte is er al, maar het land is nog niet zijn bezit. Hij leeft tussen wat God gezegd heeft en wat hij nog niet in handen heeft.

Dan komt de hongersnood. Abram trekt naar Egypte en wordt bang dat hij om Sarai gedood zal worden. Hij vraagt haar te zeggen dat zij zijn zuster is. Zijn vertrek uit zijn vaderland was een antwoord op Gods roepstem; in Egypte probeert hij zijn veiligheid zelf te regelen. De tekst laat die spanning staan. Ook iemand die op Gods woord vertrekt, kan onderweg door vrees worden geleid.

Daarom blijft deze eerste lezing bij mij hangen. Geloven begint met horen, maar leren leven uit Gods „Ik zal” vraagt meer dan één moedig vertrek. Waar zoeken wij zekerheid zodra de weg moeilijk wordt? Bij wat wij zelf kunnen regelen, of bij Hem Die ons geroepen heeft?