Bij de deur
De God Die verschijnt, hoort en op Zijn tijd voorziet
Genesis 18:1–22:24 · 2 Koningen 4:1–37 · Johannes 10:9
Een boodschapper op bezoek
Ik was deze week bij iemand op bezoek. We spraken over verschillende onderwerpen en op een gegeven moment vertelde ik hoe ik tegen een persoonlijke situatie aankeek. Toen zei die ander iets wat mij bijbleef: „Het lijkt wel alsof de Heer jou gestuurd heeft, want ik heb ineens een antwoord.”
Ik vond dat bijzonder. Niet omdat ik nu zou kunnen vaststellen dat de Heer mij met een speciale opdracht daarheen had gestuurd. Dat weet ik helemaal niet. Maar het zette mij wel aan het denken.
Soms voer je een gesprek dat voor jezelf eigenlijk heel gewoon is, terwijl het voor de ander precies raakt aan iets waarmee hij al langere tijd bezig is. Misschien hebben we zelf ook wel meegemaakt dat iemand iets tegen ons zei zonder te weten hoeveel betekenis die woorden voor ons hadden.
Daar moest ik aan denken toen ik de parasja Wajera las.
Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. (Hebreeën 13:2)
Ik heb me weleens verdiept in dat woord engel. In het Hebreeuws staat mal’ach en in het Grieks angelos. Beide woorden betekenen boodschapper. In de Schrift worden ze ook voor hemelse boodschappers gebruikt. Het woord wijst in de eerste plaats op de opdracht die iemand heeft: hij brengt een boodschap over.
Daarmee wil ik natuurlijk niet zeggen dat iedereen die ons iets vertelt wat precies op het juiste moment komt, ook een engel is. Maar we mogen er wel door worden aangesproken. Misschien zouden we meer oog moeten hebben voor de ontmoetingen die God op onze weg brengt.
Abraham wist ook niet van tevoren hoe zijn dag zou verlopen.
Hij zat in de opening van zijn tent, bij de eiken van Mamre, toen de dag heet werd. En juist daar begint deze geschiedenis. Er staat: „Daarna verscheen hem de HEERE.”
Vorige week lazen we over Hagar, die bij een waterbron door de Engel van de HEERE gevonden werd. We stonden daarbij ook stil bij de Samaritaanse vrouw die door Yeshua bij een bron werd aangesproken.
Nu ontmoeten we Abraham bij zijn tent.
Het zijn verschillende geschiedenissen en we moeten voorzichtig zijn om ze zomaar aan elkaar gelijk te stellen. Maar er is iets wat in al deze ontmoetingen terugkomt.
De mens heeft de ontmoeting niet zelf tot stand gebracht. Het is God Die verschijnt, Die iemand vindt of Die een gesprek begint.
Ik vind dat een mooie gedachte om deze parasja mee te beginnen. Misschien omdat wij zo gemakkelijk denken dat wij God moeten zoeken, terwijl de Schrift ons telkens weer laat zien dat Hij mensen opzoekt en aanspreekt.
Abraham haast zich om zijn gasten te ontvangen
De naam Wajera komt uit het eerste vers van Genesis 18. In het Hebreeuws staat wajjērā’, van het werkwoord dat zien of verschijnen betekent.
Abraham heft zijn ogen op en ziet drie mannen tegenover zich staan. Hij staat op, rent hun tegemoet en buigt zich ter aarde.
Let eens op hoe nauwkeurig Genesis vervolgens vertelt wat Abraham doet.
Hij biedt water aan zodat zij hun voeten kunnen wassen. Hij nodigt hen uit om onder de boom uit te rusten en wil hun iets te eten geven. Maar het blijft niet bij een eenvoudig stukje brood.
Abraham haast zich naar Sara en vraagt haar drie maten meelbloem te kneden. Daarna loopt hij naar zijn runderen, neemt een kalf dat „teder en goed” is en geeft het aan de knecht, die zich haast om het klaar te maken.
Er wordt verschillende keren gesproken over haast, lopen en rennen.
Wat mij daarbij opvalt, is dat Abraham zelf voortdurend betrokken blijft. Hij laat de gasten niet aan hun lot over en geeft niet alleen anderen opdracht om voor hen te zorgen. Hij ontvangt hen persoonlijk en blijft bij hen staan terwijl zij eten.
Dat is gastvrijheid die zichtbaar wordt in het handelen.
We kunnen natuurlijk zeggen dat dit hoorde bij de cultuur van die tijd. En dat is ook zo. Maar daarmee hoeven we de betekenis van dit gedeelte niet buiten ons eigen leven te plaatsen.
Want wat betekent gastvrijheid eigenlijk voor ons?
Wij kunnen ons huis openstellen, maar ook onze tijd en aandacht. We kunnen ruimte maken om naar iemand te luisteren. Soms is dat niet zo gemakkelijk. We hebben onze eigen bezigheden, onze eigen zorgen en een agenda die vaak al vol genoeg is.
En toch kan juist zo’n onverwachte ontmoeting belangrijk blijken.
Daarbij moeten we ook verstandig blijven. Gastvrijheid betekent niet dat we iedere vreemde zomaar toegang moeten geven tot ons huis of tot de mensen voor wie we verantwoordelijk zijn. De geschiedenis van Lot zal ons verderop zelfs laten zien waarom bescherming nodig kan zijn.
Maar bij Abraham zien we iets heel eenvoudigs. Hij ziet mensen staan, komt in beweging en ontvangt hen.
En tijdens die maaltijd gebeurt iets wat zijn hele leven zal veranderen.
Waar is Sara?
De bezoekers vragen: „Waar is Sara, uw huisvrouw?”
Abraham antwoordt dat zij in de tent is.
Sara luistert mee aan de ingang van de tent. En daar hoort zij opnieuw de belofte dat zij een zoon zal krijgen.
Dat was geen nieuwe belofte.
God had al eerder tegen Abraham gesproken over het nageslacht dat Hij hem zou geven. In Genesis 15 had Abraham de sterren moeten tellen, als hij daartoe in staat was. Zo talrijk zou zijn nageslacht worden. In Genesis 17 had God zelfs uitdrukkelijk gezegd dat Sara een zoon zou baren en dat Hij Zijn verbond met Izak zou oprichten.
Maar Abraham en Sara waren oud geworden.
Wat God beloofde, lag inmiddels buiten hun natuurlijke mogelijkheden. Dat is juist de spanning die Genesis laat staan.
Sara hoort de woorden en lacht bij zichzelf.
Ik kan me voorstellen dat zij heeft gedacht: hoe zou dat nu nog kunnen? We hebben zo lang gewacht. Mijn lichaam is oud geworden en Abraham is ook oud. Zou het dan toch nog gebeuren?
De HEERE vraagt waarom Sara lacht.
En daarna volgt de vraag die ik een van de belangrijkste zinnen van deze parasja vind:
Zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn? (Genesis 18:14)
Daar gaat het om.
Niet of Abraham en Sara nog een mogelijkheid zien. Niet of zij alles begrijpen wat God heeft beloofd. Maar of de HEERE kan doen wat Hij heeft gesproken.
Sara ontkent vervolgens dat zij gelachen heeft, omdat zij bang is. Maar de HEERE antwoordt: „Neen, maar gij hebt gelachen.”
God kent ook wat zij in zichzelf heeft gedacht.
Toch wordt de belofte niet ingetrokken.
Wat God heeft gezegd, blijft staan.
Op de vastgestelde tijd
Bij het lezen van Genesis 18 viel mij vooral een woord op dat de afgelopen dagen steeds opnieuw mijn aandacht heeft gekregen.
Dat is het Hebreeuwse woord mo’ed.
In Genesis 17:21 had God tegen Abraham gezegd dat Sara Izak zou baren „op dezen gezetten tijd, in het andere jaar”.
In Genesis 18:14 zegt Hij opnieuw dat Hij op de gezette tijd zal terugkomen en dat Sara een zoon zal hebben.
In het Hebreeuws staat daar lammo’ed.
En wanneer we verder lezen, komen we in Genesis 21:2 dezelfde uitdrukking opnieuw tegen.
Sara wordt zwanger en baart Abraham een zoon, „ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had”.
Ik vind dat bijzonder.
God heeft niet alleen gezegd wat Hij zou doen. Hij heeft ook een tijd voor de vervulling aangewezen.
Abraham kan die vervulling niet zelf organiseren. Hij kan de tijd niet verkorten en de uitkomst niet afdwingen. De geboorte van Izak is niet het resultaat van een menselijke prestatie.
Dat was bij Ismaël juist een van de moeilijke punten geweest.
Sara had geprobeerd via Hagar toch nageslacht te krijgen. Abraham was daarin meegegaan. Dat leidde tot een gezinssituatie waarin Hagar veel verdriet en vernedering moest ondergaan.
Nu zegt God dat Sara zelf een zoon zal krijgen.
En dat gebeurt op de tijd die Hij heeft aangewezen.
Bij dat woord mo’ed ging bij mij de antenne omhoog, omdat we het elders in de Schrift ook tegenkomen.
In Genesis 1:14 lezen we dat God de hemellichten geeft om onderscheid te maken tussen dag en nacht en om te dienen tot tekenen, tot gezette tijden, tot dagen en jaren.
Daar staat het meervoud mo’adim.
Vervolgens lezen we in Leviticus 23 dat God tot Israël spreekt over Zijn vastgestelde tijden. De HEERE noemt ze de „gezette hoogtijden des HEEREN”, heilige samenkomsten die op hun eigen tijden moeten worden uitgeroepen.
Opnieuw datzelfde woord.
Dat vind ik een belangrijke verbinding.
Wij spreken vaak over de Joodse feesten. Dat is begrijpelijk, want God heeft ze aan Israël gegeven. Maar wanneer je Leviticus 23 leest, zie je dat Hij ze Zijn eigen vastgestelde tijden noemt.
Het zijn de tijden van de HEERE.
De sabbat krijgt daar aan het begin van het hoofdstuk zijn plaats. Daarna worden de jaarlijkse hoogtijden beschreven: Pesach, het feest van de ongezuurde broden, de eerstelingen en de telling naar Sjavoeot, de dag van het bazuingeschal, de Verzoendag, het Loofhuttenfeest en de achtste dag met haar eigen heilige samenkomst.
De verschillende dagen hebben hun eigen voorschriften en betekenis.
Ik denk dat wij er goed aan doen om die zorgvuldig te onderzoeken.
Niet omdat wij daarmee onze zaligheid kunnen verdienen of omdat het volgen van een kalender ons dichter bij God zou brengen dan Zijn genade ons brengt. Dat zou juist voorbijgaan aan wat deze feesten ons leren.
Maar als God Zelf tijden heeft vastgesteld en daaraan onderwijzing heeft verbonden, dan lijkt het mij belangrijk dat wij die niet zomaar terzijde schuiven.
Wij hebben in de loop van de kerkgeschiedenis allerlei gewoonten en feestdagen gekregen. Sommige daarvan kunnen waardevolle herinneringen aan Gods handelen bevatten. Toch moeten wij altijd opnieuw de vraag durven stellen waar onze gebruiken vandaan komen en wat de Schrift erover zegt.
Daarbij moeten we wel eerlijk blijven over wat Genesis zelf vertelt.
Het feit dat Genesis 1:14 het woord mo’adim gebruikt, bewijst nog niet dat de volledige feestkalender van Leviticus 23 toen al werd gevierd. En Genesis 18 zegt niet op welke feestdag de bezoekers bij Abraham kwamen of op welke kalenderdatum Izak werd geboren.
Er bestaan Joodse tradities die de geboorte van Izak met Pesach verbinden. Daarnaast worden Genesis 21 en 22 in de Joodse leestraditie op de dagen van Rosj Hasjana gelezen.
Dat zijn interessante verbindingen die het waard zijn om te bestuderen. Maar een traditie over de datum is nog niet hetzelfde als een datering die Genesis zelf geeft.
Wat Genesis ons wel duidelijk vertelt, is dat God de tijd van Zijn handelen bepaalt.
Dat brengt mij bij Habakuk 2:3, waar over het gezicht wordt gesproken dat op een bestemde tijd wacht.
Indien het vertoeft, verbeid het. (Habakuk 2:3)
Ook daar staat mo’ed.
Het wachten op Gods tijd vraagt vertrouwen.
Maar zoals we bij Abraham zien, betekent wachten niet dat wij niets meer hoeven te doen. Abraham blijft leven, ontvangt mensen, bidt en handelt. Hij heeft alleen de vervulling van Gods belofte niet zelf in handen.
Misschien kunnen juist de vastgestelde tijden van de HEERE ons helpen om opnieuw te leren wachten, te gedenken en uit te zien.
Niet vanuit het idee dat de juiste vorm de uitkomst afdwingt, maar omdat God ons door Zijn onderwijzing wil leren leven uit wat Hij heeft gesproken.
Het lachen van Sara en de naam van Izak
Nog iets wat mij opvalt in deze parasja is hoe vaak het lachen terugkomt.
Izak heet in het Hebreeuws Jitschak. Zijn naam hangt samen met het werkwoord tsachaq, lachen.
In Genesis 18 lacht Sara bij het horen van de belofte. In Genesis 21, wanneer Izak geboren is, zegt zij: „God heeft mij een lachen gemaakt.”
Wat eerst nauwelijks voorstelbaar leek, is werkelijkheid geworden.
Sara heeft reden om zich te verheugen.
Maar hetzelfde woordveld klinkt op andere plaatsen heel anders.
Wanneer Lot zijn toekomstige schoonzonen waarschuwt dat Sodom verwoest zal worden, lijkt hij in hun ogen iemand die een grap maakt. In Genesis 19:14 wordt daarvoor opnieuw een vorm van tsachaq gebruikt.
En in Genesis 21:9 zien we Ismaël lachen of spotten. Ook daar komt dezelfde wortel terug.
Het is niet zo dat ieder gebruik van het woord precies dezelfde betekenis heeft. Juist de context bepaalt of het om vreugde, spot of iets anders gaat.
Toch vind ik de herhaling opvallend.
Sara kan de belofte bijna niet geloven. De schoonzonen van Lot nemen de waarschuwing niet serieus. Bij de geboorte van Izak krijgt het lachen een nieuwe betekenis.
Het laat zien hoe verschillend mensen op Gods spreken kunnen reageren.
En wij staan daar zelf niet buiten.
Soms kunnen wij het Woord heel goed kennen, terwijl we ons moeilijk kunnen voorstellen dat God werkelijk zal doen wat Hij heeft gezegd. Misschien omdat wij vooral kijken naar de omstandigheden waarin wij leven.
Sara kende haar lichaam en haar leeftijd.
Maar zij moest leren dat Gods belofte niet door haar mogelijkheden werd begrensd.
Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?
Het bezoek aan Abraham gaat niet alleen over de belofte van een zoon.
Wanneer de mannen verdergaan in de richting van Sodom, lezen we iets wat ik misschien wel een van de zwaarste gedeelten uit deze parasja vind.
De HEERE zegt: „Zou Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?”
Daarna wordt opnieuw gesproken over de roeping van Abraham en het volk dat uit hem zal voortkomen.
In Genesis 18:19 zegt God dat Abraham zijn kinderen en zijn huis na hem moet leren de weg van de HEERE te bewaren, door gerechtigheid en recht te doen.
Dat is heel belangrijk.
Gods belofte aan Abraham heeft niet alleen betrekking op zijn persoonlijke leven of op het nageslacht dat hij zal ontvangen. Zijn huis moet ook leren hoe het voor Gods aangezicht behoort te leven.
De weg van de HEERE wordt zichtbaar in gerechtigheid en recht.
En juist dan komt Sodom in beeld.
De HEERE spreekt over het geroep dat uit Sodom en Gomorra tot Hem is gekomen. De zonde van de steden is zeer zwaar.
Abraham begrijpt dat er een oordeel dreigt.
Dan doet hij iets opmerkelijks.
Hij gaat voor het aangezicht van de HEERE staan en begint voor de stad te pleiten.
Zult Gij ook den rechtvaardige met den goddeloze ombrengen? (Genesis 18:23)
En daarna stelt hij de vraag:
Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen? (Genesis 18:25)
Ik vind dat een bijzonder gebed.
Abraham doet niet alsof er geen zonde is. Hij verdedigt niet alles wat de inwoners van Sodom doen. Hij vraagt ook niet of God Zijn rechtvaardigheid opzij wil zetten.
Hij beroept zich juist op die rechtvaardigheid.
Hij begint met vijftig rechtvaardigen. Dan vraagt hij verder: vijfenveertig, veertig, dertig, twintig en uiteindelijk tien.
Wat mij hierin treft, is dat Abraham blijft vragen, terwijl hij tegelijk beseft Wie hij tegenover zich heeft.
Hij zegt dat hij stof en as is.
Dat is geen manier om zichzelf belangrijk te maken. Hij weet dat hij niet tegenover God staat als iemand die Hem ter verantwoording kan roepen.
Maar juist omdat hij Gods rechtvaardigheid kent, durft hij te pleiten.
Ik denk dat wij daarvan kunnen leren.
Wij kunnen heel snel een oordeel hebben over de wereld om ons heen. We zien onrecht, zonde en dingen die rechtstreeks tegen Gods Woord ingaan. Daar moeten we ook niet onverschillig tegenover staan.
Maar hoe vaak staan wij voor diezelfde mensen in gebed?
Abraham kende de ernst van het oordeel. Toch bleef hij pleiten.
Dat brengt ons bij een heel persoonlijke vraag.
Wanneer wij over Gods gerechtigheid spreken, zijn wij dan ook bewogen met de mensen die door dat oordeel getroffen kunnen worden?
Of gebruiken wij onze kennis van de waarheid vooral om afstand te nemen van anderen?
Abraham leert ons dat het bewaren van Gods weg niet alleen betekent dat wij zelf onderscheid maken tussen goed en kwaad. Het betekent ook dat wij recht doen en dat het lot van de ander ons niet onverschillig laat.
Lot in de poort van Sodom
Wanneer we in Genesis 19 komen, ontmoeten we Lot.
Het is inmiddels avond.
Bij Abraham zaten de bezoekers onder de boom, bij de opening van zijn tent. Nu komen twee engelen in Sodom aan, waar Lot in de poort van de stad zit.
Een stadspoort was in die tijd meer dan alleen een doorgang. Het was ook een plaats waar mensen samenkwamen, handel dreven en recht spraken.
Dat Lot daar zit, vertelt ons iets over zijn plaats in de stad.
We zagen vorige week al hoe hij de waterrijke Jordaanvlakte koos. Die zag er aantrekkelijk uit, maar Genesis vertelde er meteen bij dat de inwoners van Sodom zeer zondig waren.
Inmiddels woont Lot in die stad.
Toch zien we ook bij hem een houding van gastvrijheid.
Hij staat op, buigt zich voor de bezoekers en nodigt hen uit om bij hem te overnachten.
Eerst willen zij op straat blijven, maar Lot houdt sterk bij hen aan.
In Genesis 19:3 wordt daarvoor het Hebreeuwse werkwoord patsar gebruikt. Het betekent sterk aandringen.
En dan gebeurt er iets opvallends.
Wanneer de mannen van Sodom later het huis omsingelen, gebruiken zij geweld en proberen ze Lot te dwingen zijn gasten naar buiten te brengen.
Ook in vers 9 staat het werkwoord patsar.
Hetzelfde werkwoord, maar met een heel andere bedoeling.
Lot dringt aan omdat hij zijn gasten onderdak wil geven.
De mannen van Sodom dringen aan omdat zij de bezoekers willen vernederen en seksueel geweld tegen hen willen gebruiken.
Daaraan kunnen we iets zien wat verder gaat dan alleen deze geschiedenis.
De kracht waarmee iemand iets doet, zegt op zichzelf nog niet of hij goed handelt.
Je kunt ergens sterk op aandringen vanuit liefde of zorg, maar je kunt ook aandringen om je eigen wil ten koste van de ander door te zetten.
Daarom moeten we niet alleen letten op wat iemand doet. We moeten ook kijken naar de richting van dat handelen.
Dient het de ander, of wordt de ander gebruikt?
Dat is een belangrijke vraag, ook binnen onze godsdienstige overtuigingen.
Wij kunnen heel vastberaden zijn in iets wat wij als waarheid zien. Maar wanneer die overtuiging gebruikt wordt om een ander te beheersen, moeten wij ons afvragen of wij nog wel handelen in overeenstemming met de waarheid die wij zeggen te verdedigen.
De deur die Lot niet kon dichthouden
De geschiedenis in Sodom wordt steeds dreigender.
De mannen van de stad omsingelen het huis en eisen dat Lot de bezoekers naar buiten brengt.
Lot gaat zelf naar buiten en sluit de deur achter zich.
Daar staat hij tegenover de menigte.
Hij probeert zijn gasten te beschermen, maar zijn handelen is niet zonder ernstige fouten.
Hij stelt zelfs voor zijn dochters uit te leveren.
Dat vind ik een moeilijk gedeelte. Het laat zien dat Lot onder de druk van de situatie een beslissing voorstelt die zijn eigen dochters in groot gevaar brengt.
Wij mogen dat niet goedpraten omdat hij tegelijkertijd zijn gasten probeerde te beschermen.
De Schrift vertelt wat hij deed. Daarmee wordt niet alles wat hij deed ook goedgekeurd.
Dan dringen de mannen van Sodom op hem aan en proberen zij de deur open te breken.
Op dat moment steken de bezoekers hun handen uit, trekken Lot naar binnen en sluiten de deur.
Dat is een opmerkelijke omkering.
Lot had de mannen in zijn huis ontvangen om hen te beschermen. Nu moeten zij hem beschermen.
De mannen buiten worden met blindheid geslagen en raken uitgeput terwijl zij proberen de deur te vinden.
Wat mij hier opvalt, is dat Lot de situatie uiteindelijk niet meer kan beheersen.
Hij heeft zelf gehandeld en geprobeerd zijn gasten veilig te stellen. Maar op het beslissende moment zijn het de boodschappers van God die ingrijpen.
Dat maakt zijn gastvrijheid niet waardeloos. Maar het laat wel zien waar zijn redding uiteindelijk vandaan komt.
Niet uit zijn eigen vermogen om de deur dicht te houden.
De hand die Lot vasthoudt
De volgende morgen wordt Lot aangespoord de stad te verlaten.
Het oordeel komt eraan.
Toch lezen we dat Lot talmt.
Dat is moeilijk te begrijpen wanneer je weet wat er gaat gebeuren. Maar misschien herkennen wij daar ook iets van onszelf.
Wij kunnen weten dat iets niet goed voor ons is en toch moeite hebben om het los te laten. Een plaats, een gewoonte of een zekerheid waarmee wij ons leven hebben verbonden, laat zich niet altijd gemakkelijk achterlaten.
Genesis vertelt niet precies wat Lot op dat moment dacht.
Maar het zegt wel wat de boodschappers deden.
Zij grepen zijn hand, de hand van zijn vrouw en de handen van zijn twee dochters en brachten hen buiten de stad.
En dan staat erbij waarom:
Om de verschoning des HEEREN over hem. (Genesis 19:16)
Dat woord verschoning wijst op Gods ontferming.
Het Hebreeuwse werkwoord dat gebruikt wordt voor het vastgrijpen van de hand is chazaq. Het kan vasthouden, versterken of stevig aangrijpen betekenen.
Ik vind dat een bijzonder beeld.
Lot wordt niet gered omdat hij zo voortvarend gehoorzaamt.
Hij blijft juist talmen.
Maar de boodschappers van God grijpen zijn hand en leiden hem naar buiten.
Daarbij moest ik denken aan Ezechiël 16.
De profeet spreekt daar over de zonde van Sodom en noemt onder meer hoogmoed, overvloed en zorgeloze rust.
En dan zegt hij dat Sodom de hand van de arme en behoeftige niet versterkte.
Ook daar wordt een vorm van chazaq gebruikt.
De stad had geen zorg voor de zwakke en de behoeftige.
Maar de boodschappers van de HEERE grijpen de hand van Lot vast.
Dat is een opmerkelijke verbinding.
We moeten Sodoms zonde niet terugbrengen tot alleen een gebrek aan gastvrijheid. Genesis beschrijft ook de ernstige seksuele geweldsdreiging. Ezechiël laat zien dat het onrecht breder was en diep in het samenleven van de stad zat.
Een samenleving kan welvarend zijn en toch geen ruimte hebben voor de kwetsbare mens.
En juist tegenover die houding zien wij hier Gods ontferming.
De HEERE laat Lot niet achter in de stad.
Dat vind ik een grote bemoediging.
Niet omdat hier beloofd wordt dat God ons uit iedere moeilijke situatie op dezelfde manier zal redden. De Schrift leert ons dat niet.
Maar wel omdat we zien dat Gods ontferming niet afhankelijk is van een mens die voortdurend alles goed doet.
Lot was een feilbare man.
Toch werd zijn hand vastgegrepen.
God dacht aan Abraham
In Genesis 19:29 wordt verteld dat God aan Abraham dacht toen Hij de steden van de vlakte verwoestte en Lot uit de omkering wegzond.
Dat is een belangrijke zin.
Abraham had voor de stad gepleit.
Hij had gevraagd of de Rechter van de hele aarde geen recht zou doen.
Sodom werd uiteindelijk niet gespaard. Maar Lot werd uit de stad geleid.
Daarmee wordt niet gezegd dat Abraham door zijn gebed de uitkomst kon afdwingen. God bleef de Rechter.
Toch verbindt Genesis de redding van Lot uitdrukkelijk met het feit dat God aan Abraham dacht.
De HEERE vergeet Zijn verbond en Zijn eigen spreken niet.
Voorbede is daarom niet zonder betekenis.
Wij mogen mensen voor Gods aangezicht brengen, ook wanneer wij niet weten wat de uitkomst zal zijn.
Dat is iets anders dan een resultaat claimen.
Wij brengen de ander bij Hem Die rechtvaardig is en barmhartig.
Ook de geschiedenis van Lots vrouw hoort bij dit gedeelte. Zij kijkt achterom en wordt een zoutpilaar. Yeshua zal later, wanneer Hij spreekt over de dagen van Lot, waarschuwen: „Gedenkt aan de vrouw van Lot.”
Daar moeten wij niet met allerlei zelfbedachte verklaringen over haar innerlijke toestand bij komen. De tekst vertelt dat zij omkeek, terwijl de opdracht juist was om niet achterom te kijken.
En na de redding van Lot volgt nog een bijzonder pijnlijke geschiedenis.
Zijn dochters maken hem dronken en hebben gemeenschap met hem, omdat zij nageslacht willen voortbrengen. Uit de zonen die geboren worden, komen Moab en Ammon voort.
Dat is geen mooi einde aan de redding uit Sodom.
De gevolgen van zonde en verkeerde keuzes zijn niet ineens verdwenen omdat Lot aan het oordeel over de stad ontsnapt is.
Ik vind het belangrijk dat we dit laten staan.
De Bijbel beschrijft de mensen die God in Zijn geschiedenis gebruikt niet als onfeilbare voorbeelden. Hun fouten worden niet weggewerkt om een mooier verhaal te kunnen vertellen.
De Schrift laat hun werkelijke leven zien.
En juist daarin leren wij dat Gods trouw niet rust op de volmaaktheid van mensen.
Abraham valt terug in zijn oude angst
Dat zien we ook bij Abraham.
Na Sodom vertelt Genesis 20 dat hij naar het gebied van Gerar trekt.
En daar gebeurt iets wat ons bekend voorkomt.
Abraham zegt opnieuw over Sara dat zij zijn zuster is.
We hebben dat al eerder gelezen toen hij naar Egypte trok.
Hij is bang dat men hem zal doden omdat Sara zijn vrouw is. Daarom probeert hij zijn eigen leven veilig te stellen door niet de volledige waarheid te vertellen.
Sara was inderdaad zijn halfzuster. Maar Abraham verzwijgt dat zij ook zijn vrouw is.
Ik vind dit een opmerkelijk hoofdstuk.
Abraham heeft de HEERE ontmoet. Hij heeft de belofte van Izak gehoord. Hij heeft voor Sodom gepleit en gesproken over de gerechtigheid van God.
En toch valt hij opnieuw terug in zijn oude angst.
Het geloof van Abraham wordt ons dus niet beschreven als een rechte weg waarbij hij na iedere ervaring weer een stap hoger komt en nooit meer in zijn oude gedrag terugvalt.
Dat moeten wij goed onthouden.
Wij kunnen soms denken dat iemand die werkelijk gelooft ook voortdurend zichtbaar sterker, zekerder en heiliger moet worden.
Maar wanneer we Abraham volgen, zien we dat zijn geloof op de proef wordt gesteld en dat zijn oude zwakheden nog steeds aanwezig zijn.
Abimelech neemt Sara op in zijn huis, maar God verschijnt hem in een droom en waarschuwt hem.
De HEERE beschermt Sara.
Dat is van groot belang, want de geboorte van Izak is inmiddels dichtbij.
God laat de vervulling van Zijn belofte niet verloren gaan door Abrahams verkeerde handelen.
Abimelech wordt aangesproken, Sara wordt teruggegeven en Abraham moet voor hem bidden.
En dan gebeurt er opnieuw iets bijzonders.
De man die zelf verkeerd gehandeld heeft, wordt geroepen om voor een ander te bidden.
God geneest het huis van Abimelech.
Abrahams falen wordt daarmee niet goedgepraat. Maar zijn falen betekent ook niet dat God Zijn belofte heeft losgelaten.
Dat is een belangrijke les voor ons.
De grond van ons vertrouwen kan niet liggen in de vraag of wij bij onszelf een volmaakte levenslijn kunnen aanwijzen.
Wij worden wel geroepen om in gehoorzaamheid te wandelen en onze fouten te erkennen.
Maar de trouw van de HEERE blijft de grond waarop wij mogen staan.
De HEERE bezocht Sara
Dan komen we bij Genesis 21.
En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had. (Genesis 21:1)
In het Hebreeuws staat bij dat bezoeken het woord paqad.
Dat woord kan verschillende betekenissen hebben, waaronder omzien naar of aandacht geven. In deze geschiedenis horen we vooral dat God Sara niet vergeten is.
Hij doet wat Hij heeft beloofd.
De tekst benadrukt dat zelfs twee keer.
Zoals Hij gezegd had.
Zoals Hij gesproken had.
En daarna lezen we dat Izak geboren werd op de gezette tijd.
Wat in Genesis 18 onmogelijk leek, is werkelijkheid geworden.
Sara houdt haar zoon in haar armen.
En dan klinkt opnieuw het lachen.
God heeft mij een lachen gemaakt. (Genesis 21:6)
Dat vind ik mooi.
De lach van Sara is niet uit het verhaal verdwenen. Maar de betekenis ervan is veranderd.
Eerst hoorde zij een belofte die zij niet kon begrijpen.
Nu ziet zij de vervulling.
Abraham besnijdt Izak op de achtste dag, zoals God hem geboden had. Daarmee krijgt de zoon van de belofte ook zijn plaats binnen het verbond waarvan de HEERE eerder het teken gegeven had.
De geboorte van Izak is dus niet alleen een persoonlijke vreugde voor Abraham en Sara.
God gaat verder met de geschiedenis van Zijn verbond.
Maar het hoofdstuk is niet alleen een feestelijk verhaal.
Want terwijl de vreugde over Izak wordt beschreven, ontstaat opnieuw spanning in het gezin.
En Hagar en Ismaël dan?
In Genesis 21 zien we dat Sara wil dat Hagar en Ismaël worden weggestuurd.
Dat raakt Abraham diep.
Ismaël is immers ook zijn zoon.
Het is goed om dat niet te vergeten.
Wanneer wij de geschiedenis van het verbond lezen, gaat onze aandacht vanzelf naar Izak. Hij is de zoon door wie de bijzondere verbondsbelofte verder zal lopen.
Maar daardoor mogen wij Hagar en Ismaël niet uit het oog verliezen.
Vorige week lazen we hoe Hagar in de woestijn werd gevonden.
Zij noemde de HEERE El Roï, de God Die haar ziet.
En nu lezen we opnieuw over haar.
Sara heeft Ismaël zien lachen of spotten. Wat er precies in dat gedrag lag, wordt in Genesis 21:9 niet volledig uitgewerkt. Wel is duidelijk dat Sara niet wil dat Hagar en haar zoon samen met Izak zullen erven.
God zegt tegen Abraham dat de verbondslijn via Izak zal lopen.
Maar Hij zegt ook dat Hij Ismaël tot een volk zal maken.
Dat vind ik een belangrijk onderscheid.
God kiest Izak voor een bijzondere plaats in Zijn verbondsgeschiedenis. Maar daarmee wordt Ismaël niet onzichtbaar voor Hem.
Hagar vertrekt met haar zoon en komt in de woestijn van Berseba terecht.
Het water raakt op.
Zij ziet geen uitweg meer en kan het niet verdragen haar zoon te zien sterven.
Dan lezen we dat God de stem van de jongen hoort.
Dat sluit opnieuw aan bij zijn naam: Ismaël, God hoort.
De Engel van God roept Hagar vanuit de hemel aan en zegt dat zij niet bang moet zijn.
Vervolgens opent God haar ogen en ziet zij een waterput.
Ik vind dat een van de ontroerendste momenten van deze parasja.
Hagar had geen uitkomst meer gezien.
Maar God hoorde de jongen.
We moeten daar niet achteloos overheen lezen. Hagar heeft werkelijk geleden. Eerst in het huis van Abraham en later opnieuw in de woestijn.
De Schrift probeert haar verdriet niet ongedaan te maken door alleen naar de afloop te kijken.
Maar juist midden in haar nood horen wij dat God haar niet vergeten is.
De HEERE Die Sara een zoon geeft op de vastgestelde tijd, hoort ook de stem van Ismaël.
De bijzondere plaats van Izak betekent niet dat Gods aandacht alleen tot hem beperkt blijft.
Dat helpt mij om de verkiezing van Abraham en zijn nageslacht niet verkeerd te begrijpen.
God roept Abraham en geeft hem een bijzondere plaats in Zijn heilsplan. Maar die roeping staat vanaf Genesis 12 in verbinding met Zijn bedoeling om alle geslachten van de aarde te zegenen.
Dat begint niet bij de mens die zich een plaats weet toe te eigenen.
Het begint bij Gods eigen spreken.
De eeuwige God bij Berseba
Aan het einde van Genesis 21 lezen we dat Abraham en Abimelech een verbond sluiten.
Er wordt gesproken over de waterput bij Berseba en de rechten die daarmee verbonden zijn.
Ook dit is een heel aards gedeelte.
Abraham leeft niet alleen van geestelijke ervaringen. Hij moet wonen, water hebben voor zijn dieren en afspraken maken met de mensen om hem heen.
Het geloof neemt hem niet weg uit het gewone leven.
Hij plant daar een tamarisk en roept de naam aan van de HEERE, de eeuwige God.
In het Hebreeuws staat El Olam.
Die naam vind ik bijzonder op deze plaats.
Abraham heeft inmiddels de geboorte van Izak meegemaakt, maar de vervulling van Gods volledige belofte ligt nog ver voor hem.
Hij woont nog steeds als vreemdeling in het land.
Het volk dat uit hem zal voortkomen, moet nog geboren worden.
Maar hij roept de Naam aan van de eeuwige God.
Abrahams leven is begrensd.
Gods belofte reikt verder dan zijn leven.
Dat is ook voor ons een belangrijke gedachte.
Wij kunnen ons geloof soms zo sterk verbinden aan wat wij in onze eigen tijd willen zien gebeuren, dat wij vergeten hoe groot Gods handelen is.
Abraham mocht een zoon ontvangen.
Maar wat God met zijn nageslacht zou doen, ging veel verder dan de jaren die Abraham zelf nog zou leven.
Neem uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt
En dan komen we bij Genesis 22.
Ik denk dat we hier niet te snel overheen mogen gaan.
Dit is een van de moeilijkste gedeelten uit de Torah.
Het begint met de mededeling dat God Abraham op de proef stelt.
Dat is belangrijk, want wij weten als lezers daardoor iets wat Abraham op dat moment niet weet.
God zegt:
Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak. (Genesis 22:2)
En Abraham krijgt de opdracht om naar het land Moria te gaan en zijn zoon daar als brandoffer te offeren, op een berg die God hem zal aanwijzen.
Die woorden zijn buitengewoon zwaar.
Izak is niet Abrahams enige biologische zoon. Ismaël is er ook.
Maar Izak is de zoon die God aan Abraham en Sara beloofd heeft. Hij is de zoon door wie de bijzondere verbondslijn verder zal gaan.
En juist die zoon moet Abraham meenemen.
Ik vind de formulering aangrijpend.
Uw zoon.
Uw enige.
Dien gij liefhebt.
Izak.
De tekst laat ons voelen wat hier voor Abraham op het spel staat.
Dit is de zoon op wie hij zo lang gewacht heeft.
De zoon van wie God Zelf had gezegd dat Hij met hem Zijn verbond zou oprichten.
En nu krijgt Abraham deze opdracht.
Wat zou er in hem zijn omgegaan?
Dat weten we niet.
Genesis vertelt ons niet wat Abraham tijdens die nacht heeft gedacht of hoe hij met zijn verdriet en vragen is omgegaan.
Daar moeten we voorzichtig mee zijn.
We kunnen allerlei gedachten aan Abraham toeschrijven, maar dan vertellen we meer dan de Schrift zelf zegt.
Wat we wel lezen, is dat hij vroeg opstaat, zijn ezel zadelt, twee knechten en Izak meeneemt en op weg gaat.
Op de derde dag heft hij zijn ogen op en ziet de plaats in de verte.
Dan zegt hij tegen de knechten dat hij en de jongen verder zullen gaan om te aanbidden en daarna terug zullen komen.
Dat is een opmerkelijke uitspraak.
Abraham spreekt over terugkomen, terwijl hij de opdracht heeft gekregen Izak te offeren.
Ik denk dat we hier voorzichtig iets mogen zien van zijn vertrouwen.
Niet omdat hij al weet hoe God het zal oplossen.
Maar omdat hij vasthoudt aan de God Die hem deze zoon beloofd heeft.
Waar is het lam?
Izak draagt het hout voor het brandoffer.
Abraham draagt het vuur en het mes.
Dan stelt Izak zijn vader een vraag.
Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam ten brandoffer? (Genesis 22:7)
Ik vind dat misschien wel een van de aangrijpendste vragen uit Genesis.
Izak ziet dat alles voor het offer aanwezig is.
Behalve het dier.
Abraham antwoordt:
God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. (Genesis 22:8)
In het Hebreeuws hangt het werkwoord dat hier met voorzien vertaald wordt samen met ra’ah, zien.
Daarmee komen we opnieuw bij een woord dat we aan het begin van de parasja al hoorden.
De HEERE verscheen aan Abraham.
En nu zegt Abraham dat God Zelf zal zien of voorzien wat voor het offer nodig is.
Dat betekent niet dat Abraham op dit moment al een volledig beeld heeft van wat er zal gebeuren.
Hij legt de uitkomst in Gods handen.
En dan komen ze bij de plaats die God hem heeft aangewezen.
Abraham bouwt een altaar, schikt het hout en bindt Izak.
Het Hebreeuwse woord voor binden heeft ertoe geleid dat deze geschiedenis in de Joodse traditie bekendstaat als de Akeda, de binding van Izak.
Abraham legt zijn zoon op het hout.
Daarna strekt hij zijn hand uit en neemt het mes.
Op dat moment klinkt er een stem vanuit de hemel.
„Abraham, Abraham!”
En Abraham antwoordt:
Zie, hier ben ik. (Genesis 22:11)
De Engel van de HEERE gebiedt hem zijn hand niet naar de jongen uit te steken.
Izak wordt gespaard.
Abraham heft zijn ogen op en ziet een ram die met zijn horens in het struikgewas vastzit.
Die ram offert hij in plaats van zijn zoon.
Daar moeten we bij stilstaan.
De HEERE laat het offer van Izak niet plaatsvinden.
De zoon van de belofte wordt niet gedood.
God Zelf grijpt in.
Ik vind het belangrijk om hier duidelijk te zijn.
Genesis 22 is geen algemene opdracht aan gelovigen om hun kinderen, hun gezin of hun geliefden op het spel te zetten om hun geloof te bewijzen.
Het is een bijzondere beproeving binnen de geschiedenis van Abraham en Gods verbond.
En het beslissende moment is juist dat God de hand van Abraham tegenhoudt.
De HEERE zal voorzien
Abraham noemt de plaats JHWH Jir’eh.
De HEERE zal voorzien.
Ook hier klinkt weer het werkwoord dat met zien samenhangt.
De parasja begon met Gods verschijning aan Abraham.
En hier, op Moria, krijgt het zien en voorzien een bijzonder diepe betekenis.
Abraham had de belofte ontvangen.
Hij had de vervulling gezien.
En nu moest hij leren dat ook de toekomst van die belofte niet in zijn eigen handen lag.
Dat vind ik een heel ingrijpende gedachte.
Wij kunnen iets van God ontvangen en daar zo aan gehecht raken dat wij onze zekerheid uiteindelijk in die gave gaan zoeken.
Dat kan een bezit zijn, een positie, een bijzondere ervaring of zelfs een geestelijke overtuiging.
Maar de gave is niet de Gever.
Abraham mocht Izak liefhebben. Genesis maakt juist heel duidelijk hoeveel zijn zoon voor hem betekende.
Toch moest zijn vertrouwen uiteindelijk rusten in de God Die Izak gegeven had.
Daar ligt volgens mij een belangrijk onderscheid.
Ontvangen betekent niet dat wij onverschillig worden over wat ons gegeven is.
En loslaten betekent niet dat wij geen verdriet of vragen mogen hebben.
Maar het geloof leert ons dat Gods belofte verder reikt dan wat wij zelf kunnen vasthouden.
In Hebreeën 11 wordt deze geschiedenis opnieuw uitgelegd.
De schrijver zegt dat Abraham heeft overwogen dat God zelfs machtig was Izak uit de doden op te wekken.
Dat is een bijzondere uitleg.
Abraham hield zich vast aan Gods belofte, zelfs toen de opdracht die hij kreeg daarmee onverenigbaar leek.
Ik wil hier wel voorzichtig spreken.
Er zijn mensen die een kind verloren hebben. Anderen leven met de angst iemand kwijt te raken van wie zij veel houden.
Dan kunnen wij niet zomaar zeggen dat zij zich maar moeten gedragen als Abraham.
Dat zou tekortdoen aan de ernst van hun verdriet en aan het bijzondere karakter van deze geschiedenis.
Genesis 22 leert ons niet dat een sterk geloof iedere pijn wegneemt.
Het laat ons zien hoe de HEERE Abraham beproeft en hoe Hij Zelf voorziet in het offer waardoor Izak gespaard blijft.
De vrouw uit Sunem
Wanneer we deze geschiedenis naast de haftara leggen, valt mij een bijzondere overeenkomst op.
In 2 Koningen 4 ontmoeten we eerst een weduwe die bij Elisa komt omdat haar schuldeiser haar twee zonen als knechten wil meenemen.
Ze bezit bijna niets meer.
Alleen een kruik olie.
Elisa draagt haar op bij haar buren lege vaten te verzamelen en daarna de deur achter zich en haar zonen te sluiten.
Wanneer zij de olie uitschenkt, blijft deze stromen totdat alle vaten gevuld zijn.
Daarna kan zij haar schuld betalen en met haar zonen leven van wat overblijft.
Ook hier zien we dat geloof niet hetzelfde is als stil blijven zitten.
De vrouw moet handelen.
Zij moet vaten verzamelen, de deur sluiten en olie uitschenken.
Maar zij kan de olie niet zelf vermenigvuldigen.
De voorziening komt van God.
Daarna ontmoeten we een vrouw uit Sunem.
Zij ontvangt de profeet Elisa telkens wanneer hij langskomt.
En wat doet zij?
Ze maakt samen met haar man een kamer voor hem klaar.
Er komt een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar.
Ik vind dat zo concreet.
Ze zegt niet alleen dat Elisa welkom is. Ze maakt werkelijk plaats voor hem in haar huis.
Dat doet mij opnieuw denken aan Abraham.
Ook hij stelde zijn tent open voor bezoekers.
En bij deze vrouw volgt op haar gastvrijheid een onverwachte belofte.
Elisa zegt dat zij op de gezette tijd een zoon zal omhelzen.
In het Hebreeuws klinkt vrijwel dezelfde tijdsaanduiding als bij Sara.
Opnieuw een mo’ed.
Opnieuw een vrouw voor wie de geboorte van een zoon niet meer vanzelfsprekend is.
En opnieuw klinkt er ongeloof of aarzeling.
De vrouw zegt: „Neen, mijn heer, gij man Gods, lieg niet tegen uw dienstmaagd.”
Zij had niet om deze belofte gevraagd.
Maar zij krijgt een zoon.
Op de tijd die haar gezegd was.
De belofte wordt op de proef gesteld
Dan gebeurt er iets verschrikkelijks.
De jongen wordt ziek terwijl hij bij zijn vader op het land is.
Hij wordt naar zijn moeder gebracht en sterft op haar knieën.
Wat moet dat voor haar geweest zijn?
Ze had niet om een zoon gevraagd.
Hij was haar beloofd.
En nu is hij gestorven.
De vrouw legt hem op het bed van de man Gods en sluit de deur.
Daarna gaat zij op weg naar Elisa.
Onderweg antwoordt zij kort dat het wel is. We moeten daar niet uit afleiden dat zij geen verdriet heeft of dat haar geloof iedere angst heeft weggenomen.
Ze gaat juist met grote nood naar de profeet.
Wanneer ze bij Elisa komt, grijpt zij zijn voeten vast.
En dan zegt zij iets wat mij bijzonder raakt:
Heb ik een zoon begeerd van mijn heer? Heb ik niet gezegd: Bedrieg mij niet? (2 Koningen 4:28)
Daar hoor ik haar verdriet.
Maar ik hoor ook dat zij teruggaat naar de belofte die haar gegeven was.
Ze had deze zoon niet opgeëist.
Hij was haar geschonken.
En nu brengt zij het verlies terug bij degene door wie God tot haar gesproken had.
Dat lijkt mij een belangrijke verbinding met Abraham.
Abraham had een zoon ontvangen door Gods belofte.
De Sunamitische had eveneens een zoon ontvangen op een aangewezen tijd.
En in beide geschiedenissen wordt het leven van die zoon op een buitengewoon ernstige manier op de proef gesteld.
Toch mogen we de verhalen niet helemaal gelijkmaken.
Abraham krijgt een bijzondere opdracht van God. De vrouw uit Sunem krijgt geen opdracht haar zoon af te staan. Zij verliest hem onverwacht.
Izak wordt vóór zijn dood gespaard.
De zoon van de Sunamitische wordt uit de dood teruggegeven.
Maar in beide geschiedenissen zien wij mensen die de toekomst van de hun geschonken zoon niet zelf kunnen veiligstellen.
De vrouw houdt Elisa vast en zegt dat zij hem niet zal verlaten.
Elisa gaat met haar mee.
Hij komt de kamer binnen, sluit de deur achter hen beiden en bidt tot de HEERE.
Daarna wordt de jongen weer levend.
Wanneer wij dit lezen, moeten wij niet de conclusie trekken dat iedere ouder die maar voldoende geloof heeft, een gestorven kind terug zal krijgen.
Dat leert de Schrift hier niet.
Maar we zien wel dat de vrouw in haar nood de weg zoekt naar de God Die haar deze zoon gegeven had.
En dat haar geloof niet passief is.
Zij komt in beweging.
Zij reist naar Elisa.
Zij spreekt haar nood uit.
Zij houdt vast.
Wanneer wordt vasthouden verkeerd?
Daar zit voor mij een belangrijke les.
In de FRAME-methodiek maken we onderscheid tussen ontvangen en grijpen.
Dat verschil helpt om te onderzoeken waar onze zekerheid vandaan komt en wat wij proberen te beheersen.
Maar deze parasja corrigeert ook een te eenvoudige toepassing daarvan.
Want we zien dat vasthouden niet altijd verkeerd is.
De boodschappers grijpen Lots hand om hem te redden.
De Sunamitische grijpt Elisa bij zijn voeten.
Abraham strekt zijn hand uit naar het mes, maar wordt juist tegengehouden.
Hetzelfde lichamelijke handelen kan een heel verschillende betekenis hebben.
Daarom gaat het niet alleen om de vraag of iemand iets vastgrijpt.
Het gaat om de richting waarin hij handelt.
In Sodom zien we mensen die hun macht willen gebruiken om anderen aan hun wil te onderwerpen.
Bij Lot zien we boodschappers die hun kracht gebruiken om iemand uit het oordeel te leiden.
Bij de vrouw uit Sunem zien we een moeder die zich vastklampt aan de man door wie zij de belofte ontvangen heeft.
En bij Abraham zien we iemand die moet leren dat zelfs de zoon van de belofte niet buiten de hand van God veiliggesteld kan worden.
Dat onderscheid vind ik belangrijk.
Wij kunnen proberen een uitkomst af te dwingen op grond van iets wat wij in de Schrift hebben gelezen.
Maar dat is niet hetzelfde als gelovig vertrouwen op wat God werkelijk heeft gesproken.
Het geloof wordt niet sterker doordat wij onze eigen verwachting tot een belofte van God verklaren.
We moeten zorgvuldig onderscheiden wat God heeft beloofd, aan wie Hij dat heeft gezegd en hoe die belofte binnen Zijn verbond en Zijn heilsplan begrepen moet worden.
Anders gaan we met onze eigen wensen aan de haal en gebruiken we de Schrift om die te bevestigen.
Maar wanneer God gesproken heeft, mogen wij op Zijn trouw vertrouwen.
En dat vertrouwen mag ons in beweging brengen.
Abraham ging op weg.
De weduwe verzamelde vaten.
De Sunamitische reisde naar Elisa.
En Lot werd bij de hand genomen toen hij zelf bleef talmen.
Wie stond er bij de tent?
Er is nog een vraag waar ik in deze lezing bij wil stilstaan.
Wie waren nu eigenlijk die drie mannen die Abraham bezochten?
Genesis 18 begint met de mededeling dat de HEERE aan Abraham verscheen.
Vervolgens ziet Abraham drie mannen.
In het gesprek wisselt de vertelwijze tussen meervoud en enkelvoud. Twee van de bezoekers gaan later naar Sodom en worden in Genesis 19 engelen genoemd.
Abraham blijft ondertussen voor het aangezicht van de HEERE staan.
In de Joodse uitleg, onder andere bij Rasji, worden de drie bezoekers gezien als engelen met verschillende opdrachten.
Binnen de christelijke uitleg is ook regelmatig gedacht aan een verschijning van de Zoon vóór Zijn menswording.
Zelf denk ik bij dit gedeelte aan Yeshua.
Maar ik wil wel zorgvuldig blijven in wat ik daarover zeg.
Genesis 18 noemt de drie bezoekers niet rechtstreeks de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ook wordt er niet uitdrukkelijk gezegd dat een van de mannen Yeshua was.
Dat mogen wij dus niet als een rechtstreeks tekstfeit presenteren.
Maar wanneer ik vervolgens Johannes 8 lees, wordt het voor mij wel bijzonder.
Daar zegt Yeshua:
Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. (Johannes 8:56)
Zijn hoorders begrijpen niet hoe Hij op die manier over Abraham kan spreken.
Ze vragen hoe Hij Abraham gezien kan hebben terwijl Hij nog geen vijftig jaar oud is.
En dan zegt Yeshua:
Eer Abraham was, ben Ik. (Johannes 8:58)
Ik vind dat een buitengewone uitspraak.
Yeshua zegt niet alleen iets over Zijn kennis van Abraham.
Hij spreekt over Zijn bestaan vóór Abraham.
Voor mij opent dat een verbinding met de verschijning van de HEERE in Genesis 18.
Die verbinding heeft een belijdend karakter. Johannes zegt niet met zoveel woorden dat Yeshua bij Mamre aan Abraham verscheen.
Maar wanneer wij Hem erkennen als het vleesgeworden Woord, horen wij in Zijn uitspraak dat Hij niet pas bij Zijn geboorte in Bethlehem is begonnen te bestaan.
Daar ligt voor mij de Messiaanse diepte van deze geschiedenis.
En toch wil ik dat de tekst van Genesis zelf blijft spreken.
Abraham ontmoette de HEERE.
Hij ontving een belofte.
Hij pleitte voor de mensen van Sodom.
En later hoorde hij op Moria opnieuw de stem van de Engel van de HEERE.
Dat is de geschiedenis die ons is gegeven.
De latere Schriftgedeelten mogen die voor ons verdiepen, maar zij mogen niet gebruikt worden om allerlei zaken in Genesis te leggen die er niet staan.
Het Lam dat God Zelf voorziet
Wanneer ik vervolgens terugdenk aan de vraag van Izak op Moria, krijgt die in het licht van het evangelie een bijzondere betekenis.
„Waar is het lam?”
Abraham antwoordde dat God Zelf zou voorzien.
Op Moria werd een ram gegeven in plaats van Izak.
En in Johannes 1 horen wij Johannes de Doper over Yeshua zeggen:
Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. (Johannes 1:29)
Dat is voor mij een belangrijke Messiaanse verbinding.
Niet omdat iedere bijzonderheid van het verhaal over Izak automatisch een voorspelling over Yeshua is.
Maar omdat de Schrift ons verder laat zien hoe God Zelf voorziet in de verlossing.
De zoon van Abraham werd gespaard.
Yeshua heeft Zijn leven gegeven.
Paulus schrijft in Romeinen 8 dat God Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem voor ons allen heeft overgegeven.
Daarmee komen we bij een diepere vervulling dan Abraham zelf tijdens zijn leven volledig heeft kunnen overzien.
De belofte aan Abraham ging immers niet alleen over de geboorte van Izak.
Vanaf Genesis 12 had God gezegd dat in Abraham alle geslachten van de aarde gezegend zouden worden.
De Messias staat niet buiten die verbondsgeschiedenis.
Hij komt juist uit het nageslacht van Abraham en draagt de belofte verder.
Daarom vind ik het belangrijk om de Torah, de Profeten en het Evangelie niet van elkaar los te maken.
We leren Yeshua kennen binnen de geschiedenis van Gods handelen met Israël.
En wanneer we die geschiedenis zorgvuldig lezen, krijgt ook ons verstaan van het evangelie meer diepte.
Ik ben de Deur
Bij het lezen van deze parasja bleef mij nog een ander beeld bij.
De deur.
Abraham zit bij de opening van zijn tent wanneer de HEERE verschijnt.
Sara hoort de belofte bij de ingang van de tent.
Lot zit in de stadspoort van Sodom wanneer de boodschappers aankomen.
Later sluit hij de deur van zijn huis tegen de menigte.
De boodschappers trekken hem naar binnen en sluiten de deur.
In de haftara sluit de weduwe haar deur wanneer zij de olie uitschenkt.
De vrouw uit Sunem sluit de deur van de kamer waarin haar zoon ligt.
En Elisa sluit later diezelfde deur om tot de HEERE te bidden.
Dat zijn allereerst gewone deuren in werkelijke geschiedenissen.
En ze hebben niet allemaal dezelfde functie.
Soms wordt een deur geopend om mensen te ontvangen.
Soms wordt zij gesloten om iemand te beschermen.
En soms is de gesloten deur de plaats waar iemand in stilte tot God bidt.
Ik wil daarom niet doen alsof de deur overal in deze gedeelten één verborgen symbolische betekenis heeft.
Maar wanneer ik de geschiedenissen naast elkaar lees, krijg ik wel oog voor wat er bij de deur gebeurt.
Mensen ontmoeten elkaar.
Er wordt iets ontvangen.
Er moet beschermd worden.
Er wordt gebeden.
En soms moet iemand juist door een deur heen geleid worden om behouden te blijven.
Daarbij denk ik aan Johannes 10, waar Yeshua zegt:
Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. (Johannes 10:9)
In Johannes 10 spreekt Yeshua over de schapen en de herder.
Hij noemt Zichzelf niet alleen de Deur, maar ook de goede Herder Die Zijn leven geeft voor de schapen.
Dat is de plaats waar het evangelie ons brengt.
Ons behoud ligt niet in ons vermogen om zelf iedere bedreiging buiten te houden.
Wij kunnen de deur van ons huis sluiten, we kunnen maatregelen nemen om elkaar te beschermen en we moeten daarin ook onze verantwoordelijkheid dragen.
Maar daarmee hebben wij ons leven niet in onze eigen handen.
Yeshua noemt Zichzelf de toegang tot het leven.
En Hij is Degene Die de schapen kent en Zijn leven voor hen geeft.
Wanneer ik dat naast de geschiedenis van Lot lees, begrijp ik iets beter wat het betekent om door Gods ontferming bewaard te worden.
Lot kon de deur niet meer dichthouden.
Hij kon zichzelf uiteindelijk niet redden.
Maar de boodschappers van God grepen zijn hand.
En wanneer ik dat naast de geschiedenis van de Sunamitische leg, zie ik een moeder die haar nood achter een gesloten deur bij God laat brengen.
De deur wordt dan voor mij geen middel waarmee ik God kan beheersen.
Het is een herinnering aan de vraag waar onze veiligheid en ons vertrouwen werkelijk liggen.
Psalm 121 zegt:
De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid. (Psalm 121:8)
Dat is een grote belofte van Gods bewaring.
Niet dat er in ons leven nooit verdriet, ziekte of beproeving zal komen.
Maar dat wij onze weg mogen toevertrouwen aan Hem Die over ons leven waakt.
De belofte gaat verder
Aan het einde van Genesis 22 volgt nog een kort bericht over de familie van Nahor, de broer van Abraham.
Na alles wat op Moria gebeurd is, lijkt dat misschien een wat onverwacht slot.
Maar ook dit gedeelte heeft zijn plaats.
Er worden verschillende familieleden genoemd, onder wie Bethuel, de vader van Rebekka.
Daarmee wordt al iets voorbereid van wat we in de volgende geschiedenissen zullen lezen.
Rebekka zal later een belangrijke plaats krijgen in het leven van Izak en in de voortgang van de verbondsbelofte.
Ik vind dat een mooie afsluiting van deze parasja.
Abraham heeft de zoon van de belofte ontvangen.
Hij heeft op Moria moeten leren dat de toekomst van die belofte bij God ligt.
En terwijl Abraham nog niet weet hoe de volgende generatie haar weg zal vinden, laat Genesis al zien hoe die geschiedenis verder zal gaan.
Gods handelen houdt niet op waar ons eigen overzicht eindigt.
Dat is ook een les die we bij de vastgestelde tijden hebben gezien.
De HEERE handelt op Zijn tijd.
Zijn verbond en Zijn beloften reiken verder dan één gebeurtenis of één mensenleven.
Abraham hoefde niet alles te overzien.
Hij werd geroepen om te wandelen voor Gods aangezicht en te gehoorzamen aan wat hem was gezegd.
Wat blijft er voor ons over?
Wanneer ik deze parasja nog eens overzie, merk ik hoeveel verschillende kanten van het geloof daarin naar voren komen.
Abraham ontvangt mensen bij zijn tent.
Sara hoort de belofte en lacht.
Abraham staat voor Gods aangezicht en pleit voor Sodom.
Lot probeert zijn gasten te beschermen, maar maakt daarbij ook ernstige fouten. Uiteindelijk wordt hij zelf door de boodschappers van de HEERE naar buiten geleid.
Abraham valt opnieuw terug in zijn oude angst.
Sara krijgt de zoon die haar beloofd was.
Hagar en Ismaël worden weggestuurd, maar God hoort de stem van de jongen.
En wanneer Abraham eindelijk de zoon ontvangen heeft op wie hij zo lang heeft gewacht, wordt zijn vertrouwen op Moria op de zwaarst denkbare manier beproefd.
Wat ik daaruit leer, is dat geloof niet betekent dat wij voortdurend alles begrijpen of dat ons leven alleen maar uit overwinningen bestaat.
Abraham begreep niet altijd hoe Gods belofte vervuld zou worden.
Sara kon het nauwelijks geloven.
Lot bleef talmen.
En de vrouw uit Sunem ging met een groot verdriet naar Elisa, omdat zij niet wist hoe het verder moest.
Maar in al die geschiedenissen blijft Gods handelen centraal staan.
Hij verschijnt.
Hij spreekt.
Hij hoort.
Hij ziet.
Hij gedenkt.
Hij voorziet.
En Hij doet wat Hij gesproken heeft.
Dat is geen reden om zelf maar niets meer te doen.
Integendeel.
Abraham haastte zich om zijn gasten te ontvangen.
Hij bleef voor Sodom pleiten.
De weduwe verzamelde de vaten.
De Sunamitische ging op weg naar Elisa.
Het geloof komt in beweging.
Maar het maakt een groot verschil waar die beweging vandaan komt.
Wij kunnen druk bezig zijn om onszelf zekerheid te verschaffen. Zelfs met de Schrift in onze handen kunnen we proberen een uitkomst naar ons toe te halen waarvan God helemaal niet gezegd heeft dat die ons op dat moment gegeven zal worden.
Daarom is het zo belangrijk dat wij zorgvuldig blijven luisteren naar wat de Schrift werkelijk zegt.
Wat heeft God gesproken?
Tot wie heeft Hij gesproken?
Wat belooft Hij?
En wat vraagt Hij van ons?
Daar wil ik ook de vastgestelde tijden van de HEERE opnieuw bij betrekken.
Als God tijden heeft gegeven om samen te komen, te gedenken en Zijn grote daden te verkondigen, dan moeten wij die niet alleen van een afstand bekijken als iets wat bij de geschiedenis van Israël hoort.
Wij mogen onderzoeken wat Hij daarmee aan Zijn volk heeft onderwezen en hoe wij, als volgelingen van Yeshua, ons leven door Zijn Woord laten vormen.
Niet omdat de kalender ons kan redden.
Niet omdat een feest op zichzelf ons geloof bewijst.
Maar omdat Gods onderwijzing ons helpt te herinneren Wie Hij is en wat Hij heeft gedaan.
De vorm kan daarbij van grote betekenis zijn.
Een maaltijd, een rustdag, een samenkomst of een jaarlijks terugkerend feest kan ons opnieuw bepalen bij wat God heeft gesproken.
Maar wanneer de vorm belangrijker wordt dan de HEERE tot Wie zij ons moet brengen, verliezen wij juist de betekenis ervan.
Dat is volgens mij iets waar wij voortdurend op moeten letten.
Ook wanneer we de Schrift bestuderen, kunnen wij zo bezig raken met onze eigen uitleg, onze overtuiging of de manier waarop wij een verband hebben ontdekt, dat wij nauwelijks nog ruimte laten om door de tekst zelf gecorrigeerd te worden.
Ik herken dat ook bij mezelf.
Juist daarom vind ik het belangrijk om telkens opnieuw bij de Bron te beginnen.
Wat staat er werkelijk?
Wat lezen wij erbij?
En wat is onze eigen gevolgtrekking?
Wanneer wij dat blijven onderscheiden, mogen we ook vrijmoedig onderzoeken en verbanden leggen, zonder te doen alsof iedere gedachte die wij daarbij krijgen rechtstreeks door God is uitgesproken.
Ik denk nog even terug aan het gesprek waarmee deze lezing begon.
Een gewoon bezoek.
Een paar woorden over een persoonlijke situatie.
En iemand die zei dat het leek alsof de Heer mij gestuurd had.
Misschien blijft het bij die ervaring.
Dat is ook goed.
We hoeven niet van iedere ontmoeting achteraf een bijzonder geestelijk teken te maken.
Maar het heeft mij wel opnieuw laten zien hoe belangrijk het is dat wij ruimte hebben om elkaar te ontmoeten en naar elkaar te luisteren.
Abraham begon met water, brood en een plaats in de schaduw.
Hij wist nog niet hoe die dag zou eindigen.
De HEERE verscheen aan hem.
En daarna ging de geschiedenis verder, met beloften, moeilijke vragen, voorbede, oordeel, redding en uiteindelijk de beproeving op Moria.
Wat mij daarin vooral bemoedigt, is dat Abraham niet alles zelf hoefde te dragen.
God had gesproken.
En Hij bleef trouw aan Zijn eigen Woord.
Dat is ook waar wij onze rust mogen zoeken.
Niet in de gedachte dat wij voldoende geloof kunnen verzamelen om de uitkomst van ons leven te bepalen.
Maar in de HEERE Die ons aanspreekt, Die onze weg kent en Die op Zijn tijd doet wat Hij heeft beloofd.
Misschien mogen we deze week daarom vooral die vraag meenemen:
Waarop richten wij ons vertrouwen wanneer we de toekomst niet kunnen overzien? Op wat wij zelf kunnen vasthouden, of op Hem Die ons eerst heeft aangesproken?
En als wij onze deur openen, als wij voor anderen bidden en als wij proberen gehoorzaam te wandelen, dan mogen we dat doen in het vertrouwen dat de HEERE onze ingang en onze uitgang bewaart.
De God Die Abraham verscheen, Die Hagar zag, Die Ismaël hoorde en Die op Moria voorzag, is God aan Wie wij ons leven mogen toevertrouwen.
In Yeshua leren wij Hem kennen als de goede Herder, Die Zijn leven geeft voor de schapen.
Daar ligt uiteindelijk onze hoop.
Niet in wat wij van Gods beloften weten te maken, maar in Zijn trouw aan wat Hij Zelf gesproken heeft.