Parasja Lech Lecha · Thora: Genesis 12:1–17:27
De God Die roept en vindt
God roept Abram om te vertrekken voordat hij alles weet, en geeft hem niet alleen een opdracht maar een reeks beloften: „Ik zal…”. Daar ligt de Bron. Tegenover Babel, dat zelf een naam wil maken, ontvangt Abram een naam. Maar dezelfde God Die roept, zoekt ook Hagar wanneer zij op de vlucht is: de Engel des HEEREN vond haar bij een bron, en zij noemt Hem El Roï, de God Die mij ziet. God ziet, hoort en vindt de mens langs de weg. De haftara vraagt: is uw weg voor de HEERE verborgen? En in Yeshua ontmoeten we diezelfde God: „Vóór Abraham was, ben Ik” — Degene Die de dorstige opzoekt bij de bron.
God spreekt, Abram gaat
„En de HEERE zeide tot Abram.” Zo begint Genesis 12. Eerst spreekt God. Daarna lezen wij dat Abram op weg gaat. In de woorden Lech Lecha klinkt de opdracht: ga. Hij moet zijn land, zijn familie en zijn vaderhuis verlaten, „naar het land, dat Ik u wijzen zal”. De weg wordt hem niet van tevoren uitgetekend. God belooft Zelf hem het land te wijzen.
Het is moeilijk voor te stellen wat het betekende om alles wat vertrouwd was achter te laten, terwijl de bestemming nog niet bekend was. Toch lezen we in vers 4: „Zo toog Abram heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had.” Die volgorde houdt mij bezig. God spreekt en Abram antwoordt. Hij gaat niet op weg omdat hij de toekomst overziet, maar omdat God hem geroepen heeft.
„Ik zal”
Op die roeping volgt een reeks beloften. „Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen.” De woorden „Ik zal” komen telkens terug. Abram krijgt een opdracht, maar de vervulling van de belofte neemt God op Zich. Wat Abram nog niet kan zien, is hem door God al toegezegd.
Dat is de grond waarop Abram verdergaat. En juist in de gebeurtenissen die volgen, blijkt hoe moeilijk het voor ons kan zijn om op een belofte te vertrouwen wanneer de omstandigheden iets anders laten zien. Abram zal meer dan eens proberen zelf zekerheid te vinden. Maar Gods „Ik zal” blijft staan.
Zelf een naam maken, of een naam ontvangen
Vlak vóór de roeping van Abram staat de geschiedenis van Babel. Daar zeggen de mensen: „Laat ons een naam voor ons maken” (Genesis 11:4). Ze bouwen aan een stad en een toren om bij elkaar te blijven en hun naam te vestigen. Dan zegt God tegen Abram: „Ik zal uw naam groot maken” (Genesis 12:2). Die woorden staan dicht bij elkaar en laten een verschil zien dat ons gemakkelijk ontgaat.
Bij Babel willen de mensen zichzelf een naam maken. Abram ontvangt de belofte dat God zijn naam groot zal maken. Daarvoor moet hij juist loslaten wat hem tot dan toe zekerheid gaf: zijn land, zijn verwanten en het huis van zijn vader. Hij gaat op weg met een woord van God, niet met een zekerheid die hij zelf heeft opgebouwd.
In Genesis 17 krijgt hij zelfs een nieuwe naam. Abram wordt Abraham, omdat God hem tot een vader van vele volken stelt. Het is God Die hem roept en hem een naam geeft. Zo loopt de belofte verder dan wat Abram op dat moment van zijn eigen leven kan overzien.
Moet ik de belofte zelf veiligstellen?
Al in Genesis 12 komt er hongersnood in het land en trekt Abram naar Egypte. Hij is bang dat men hem om Sarai zal doden. Daarom vraagt hij haar te zeggen dat zij zijn zuster is. Abram zoekt een manier om zijn leven veilig te stellen. Wij kunnen die angst wel begrijpen. Maar wat gebeurt er wanneer wij, terwijl God gesproken heeft, onze veiligheid zelf proberen te verzekeren?
Door Abrams plan komt Sarai in gevaar. De HEERE treft het huis van Farao met plagen, waarna Sarai aan Abram wordt teruggegeven. Gods belofte blijft bestaan, ook waar Abrams handelen schade veroorzaakt. Zo zien we dat zijn geloof niet betekent dat hij nooit meer bang is of verkeerde keuzes maakt. Hij moet nog leren te leven uit wat God hem heeft toegezegd.
Kiezen wat je ziet, of ontvangen wat God laat zien
In Genesis 13 kunnen Abram en Lot vanwege hun grote kudden niet langer bij elkaar blijven. Abram laat Lot kiezen. Lot slaat zijn ogen op en ziet de waterrijke vlakte van de Jordaan, „als de hof des HEEREN”. Hij kiest het gebied dat hem aantrekkelijk voorkomt.
Pas nadat Lot vertrokken is, spreekt God opnieuw tot Abram: „Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt” (Genesis 13:14). Lot kijkt en kiest. Abram hoort Gods stem en krijgt het land aangewezen. Daar wordt opnieuw zichtbaar waar zijn zekerheid vandaan moet komen. Hij hoeft niet alles naar zich toe te halen. God herhaalt Zijn belofte, en Abram bouwt een altaar voor de HEERE.
Van wie ontvang je?
Na de strijd in Genesis 14 ontmoet Abram twee koningen. Melchizedek, de koning van Salem en priester van God de Allerhoogste, brengt brood en wijn en spreekt een zegen uit. De koning van Sodom biedt Abram aan de goederen te houden, als hij de mensen maar teruggeeft. Abram staat hier voor een heel concrete keuze: van wie zal hij iets aannemen?
Abram weigert de goederen van Sodom. Hij zegt waarom: „Opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt” (Genesis 14:23). Hij wil niet dat de koning van Sodom zich de bron van zijn voorspoed kan noemen. Melchizedek spreekt juist de zegen uit in de naam van God de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit. Abram ontvangt die zegen en geeft hem tienden van alles.
Genesis noemt Melchizedek koning en priester en vertelt van brood, wijn en zegen. Psalm 110 en Hebreeën 7 brengen zijn priesterschap later opnieuw ter sprake. Maar ook zonder die latere verbinding klinkt hier al iets belangrijks: Abram heeft zijn toekomst niet aan de koning van Sodom te danken. Hij leeft van wat God heeft beloofd.
Geloven terwijl je het nog niet ziet
In Genesis 15 spreekt God opnieuw: „Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.” Maar Abram heeft nog altijd geen zoon. Hij spreekt zijn verdriet en zijn vraag uit: „HEERE, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga?” Hij verzwijgt niet wat hem bezighoudt. Dat vind ik troostrijk. Geloof hoeft de vragen die uit het wachten opkomen niet weg te drukken.
God brengt Abram naar buiten en laat hem naar de sterren kijken. Zo talrijk zal zijn nageslacht zijn. Daarna lezen we: „En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid” (Genesis 15:6). Er is nog geen zoon geboren. Toch vertrouwt Abram op het woord dat God opnieuw tot hem spreekt. Paulus zal later juist deze woorden aanhalen wanneer hij over de gerechtigheid uit het geloof schrijft.
Daarna volgt het verbond tussen de stukken. De dieren worden gedeeld, maar Abram valt in een diepe slaap. In de duisternis gaan een rokende oven en een vurige fakkel tussen de stukken door. Abram wordt hier niet beschreven als degene die naast God door de stukken gaat. De nadruk ligt op Gods eigen verbondshandelen. Wat Hij belooft, rust uiteindelijk op Zijn trouw.
Als het wachten te lang duurt
Wanneer we in Genesis 16 komen, zijn er opnieuw jaren van wachten voorbijgegaan. Sarai heeft nog steeds geen kind. Zij geeft Hagar, haar Egyptische slavin, aan Abram in de hoop via haar nageslacht te krijgen. In het Hebreeuws zegt Sarai dat zij zo misschien „gebouwd” zal worden. Het werkwoord heeft dezelfde wortel als het bouwen bij Babel. Opnieuw zien we mensen die proberen zelf tot stand te brengen waarop zij wachten.
Ik herken daarin iets van ons eigen leven. Wij kunnen geloven wat God heeft gesproken en toch onrustig worden wanneer het lang duurt. Dan gaan we zoeken naar een weg om de uitkomst zelf dichterbij te brengen. Maar Hagar is geen middel in een verhaal over Abrams geloof. Zij is een mens die de gevolgen van dit besluit moet dragen. En juist haar geschiedenis laat iets zien van Gods aandacht.
De God Die vindt
Hagar vlucht de woestijn in. Zij is zwanger, alleen en onderweg, zonder te weten waar zij terecht zal komen. Dan lezen we: „En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn” (Genesis 16:7). Dat vind ik zo bijzonder. Er staat niet dat Hagar God vond, maar dat de Engel van de HEERE haar vond. Het begint ook hier bij Hem.
Hij spreekt haar aan bij haar naam: „Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan?” Hagar kan zeggen waar ze vandaan vlucht: „Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai.” Maar op de vraag waarheen geeft zij geen bestemming. Zij weet waar ze vandaan komt; hoe haar weg verder zal gaan, weet ze niet. Toch is zij voor God niet verborgen.
De naam van haar zoon zal Ismaël zijn, omdat de HEERE haar verdrukking heeft gehoord. En Hagar noemt Hem El Roï, de God Die haar ziet. God vindt haar, hoort haar verdrukking en ziet haar. De HEERE Die Abram roept en hem een bijzondere plaats geeft in Zijn verbond, ziet ook deze Egyptische vrouw in haar nood. De verkiezing van Abram betekent niet dat Hagar buiten Zijn aandacht valt.
Gevonden bij de bron
Hagar wordt gevonden bij een werkelijke waterbron in de woestijn. Daar begint de geschiedenis in Genesis 16. Wanneer we daarnaast Johannes 4 lezen, ontmoeten we opnieuw een vrouw bij een bron. Dat zijn twee verschillende gebeurtenissen, maar ze brengen ons wel bij dezelfde vraag: wie ziet de mens die daar zit, en wie begint het gesprek?
Bij de bron van Jakob spreekt Yeshua een Samaritaanse vrouw aan. Hij kent haar geschiedenis en spreekt met haar over levend water. Zij gaat later naar de mensen van haar stad en zegt: „Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb.” Bij Hagar hoorden we de naam El Roï, de God Die mij ziet. In beide verhalen worden vrouwen aangesproken die niet zelf het gesprek met God zijn begonnen.
De bron in Genesis 16 is niet hetzelfde als het levende water uit Johannes 4. Toch krijgt het beeld van het water een bijzondere klank wanneer we deze Schriftgedeelten naast elkaar leggen. Hagar wordt bij een bron gevonden. Yeshua zit Zelf bij een bron en spreekt over het water dat Hij geeft, dat in de mens wordt tot een fontein die springt tot in het eeuwige leven. De Schrift laat ons zo verder zien hoe God mensen opzoekt en aanspreekt.
Wandel voor Mijn aangezicht
Jaren later verschijnt God opnieuw aan Abram. Hij is dan negenennegentig jaar. De HEERE zegt: „Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht” (Genesis 17:1). In het Hebreeuws staat hithallēkh lefanai wehyeh tamim: wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht, heel.
De parasja begon met „ga”. Nu klinkt: „wandel voor Mijn aangezicht”. Het gaat niet alleen om de reis naar een land, maar om een leven voor Gods aangezicht. Vervolgens geeft God Abram en Sarai een nieuwe naam, en Hij stelt de besnijdenis in als teken van het verbond. Zijn woord wordt niet alleen gehoord; het krijgt ook een herkenbare plaats in hun leven en in het lichaam van de verbondsgemeenschap.
Is mijn weg voor God verborgen?
In de haftara horen we Israël klagen: „Mijn weg is voor den HEERE verborgen” (Jesaja 40:27). Die klacht doet denken aan Hagar, die in de woestijn niet weet waar zij heen moet. Maar Jesaja wijst op de eeuwige God, de Schepper van de einden der aarde, Die niet moe en niet mat wordt. „Die den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden” (Jesaja 40:31).
Abraham moest leren gaan op Gods woord, maar ook wachten op de vervulling. En nu spreekt God tot het volk dat uit hem is voortgekomen: „Gij Israël, Mijn knecht, gij Jakob, dien Ik verkoren heb, het zaad van Abraham, Mijn liefhebber” (Jesaja 41:8). De HEERE is Zijn belofte niet vergeten. Daarom klinkt in vers 10 opnieuw: „Vrees niet, want Ik ben met u.” Dat had Abram al gehoord toen zijn toekomst nog verborgen was.
Vóór Abraham was, ben Ik
In Johannes 8 spreekt Yeshua over Abraham: „Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest” (vers 56). De mensen begrijpen niet hoe Hij over Abraham kan spreken. Dan zegt Hij: „Eer Abraham was, ben Ik” (vers 58).
Abraham werd geroepen door een God Die hem voorging. Johannes laat ons horen dat Yeshua Zichzelf vóór Abraham plaatst. Dat is de belijdende horizon van deze lezing: in Yeshua ontmoeten wij Degene Die vóór Abraham is. De God Die Abraham riep, Hagar vond en Israël bleef vasthouden, is niet pas aan hun geschiedenis begonnen. Zijn spreken en Zijn trouw gaan eraan vooraf.
Wat mij in deze parasja vooral bijblijft, is dat het telkens bij God begint. Hij roept Abram en geeft hem een belofte. En dan lezen we: „Zo toog Abram heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had.” Zijn gehoorzaamheid is een antwoord op wat God eerst heeft gezegd.
Maar onderweg blijkt hoe moeilijk het is om werkelijk vanuit die belofte te leven. Abram probeert in Egypte zijn eigen veiligheid te bewaren. Sarai ziet de jaren voorbijgaan en zoekt via Hagar een weg om toch een kind te krijgen. En Hagar zelf vlucht uiteindelijk de woestijn in, waar de Engel van de HEERE haar vindt bij een bron.
Juist daarin herken ik iets van ons eigen leven. Wij willen graag weten hoe het verdergaat. En wanneer Gods beloften op zich laten wachten, kunnen we zo druk worden met het zoeken naar een oplossing dat we nauwelijks meer luisteren naar wat Hij al heeft gesproken.
Toch blijft God in deze geschiedenis Degene Die roept, ziet, hoort en vindt. Zijn belofte rust niet op wat Abraham ervan weet te maken, maar op Zijn eigen trouw.
Misschien ligt daar ook voor ons de vraag: durven wij te leven uit wat God gesproken heeft, wanneer wij nog niet kunnen zien hoe Hij Zijn beloften zal vervullen?