Bij de bron

Van het graf in Machpela tot het levende water: ontvangen wat God voorziet

Genesis 23:1–25:18 · 1 Koningen 1:1–31 · Johannes 4:3–14

Arie Alberts

Opnieuw bij een bron

Soms valt je bij het lezen iets op wat blijft hangen, zonder dat je er meteen iets mee doet. Bij mij was dat deze keer een waterbron.

Vorige week lazen we over Abraham bij de opening van zijn tent, en onderweg kwamen we ook bij de bron waar Hagar gevonden werd en bij de put waar Yeshua de Samaritaanse vrouw aansprak. Die bron bleef hangen. En juist daarom viel het me op dat we deze week opnieuw bij een bron uitkomen.

Want in de parasja van deze week wordt een bruid voor Izak gevonden, en dat gebeurt bij een waterput. En de evangelielezing die erbij gelezen wordt, brengt ons weer bij een put, nu die van Jakob, waar een vrouw water komt putten en hoort over een ander soort water.

Het zijn verschillende geschiedenissen, en ik wil ze niet zomaar aan elkaar gelijkstellen. Maar er loopt iets doorheen. Bij de bron wordt iemand gevonden. Bij de bron wordt gevraagd en gegeven. En telkens is het niet de mens die de ontmoeting afdwingt, maar God Die voorziet.

De parasja heet Chaje Sara, het leven van Sara. Dat is opmerkelijk, want het gedeelte opent met haar dood.

Het leven van Sara begint bij haar dood

Sara sterft, honderdzevenentwintig jaar oud. Er staat dat Abraham kwam om Sara te beklagen en haar te bewenen.

En Sara stierf te Kiriath-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen. (Genesis 23:2)

Ik vind het veelzeggend dat de parasja die het leven van Sara heet, begint met verdriet. Alsof de Schrift ons laat zien dat een leven niet wordt afgesloten door de dood, maar dat juist daar iets zichtbaar wordt van wat dat leven gedragen heeft.

Abraham staat op van bij zijn dode. Dat is de uitdrukking die er staat. Hij staat op, en hij gaat iets regelen wat op het eerste gezicht heel gewoon lijkt: een plek om zijn vrouw te begraven.

Maar als je erop let, is het dat niet.

Een graf als eerste bezit

Abraham zegt tegen de Hethieten:

Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geef mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave. (Genesis 23:4)

Een vreemdeling en inwoner. In het Hebreeuws staat ger wetoshav. Abraham woont al jaren in het land dat God hem beloofd heeft, en toch noemt hij zichzelf hier een vreemdeling. Hij bezit nog niets van dat land. Hij heeft de belofte gehoord, maar hij heeft de vervulling niet in handen.

En dan volgt een heel uitvoerig verhaal over een onderhandeling. Efron de Hethiet biedt Abraham de akker en de spelonk van Machpela aan, en hij zegt het op de manier waarop zulke dingen daar gezegd werden: ik geef het u, neem het maar.

Abraham gaat daar niet op in. Hij staat erop de volle prijs te betalen, vierhonderd sikkelen zilver. Hij wil geen geschenk en geen gunst. Hij wil het rechtmatig in bezit hebben.

Zo wordt de akker met de spelonk en alle bomen die erop staan, voor de ogen van de Hethieten aan Abraham toegewezen.

Ik sta hier graag even bij stil. Want het eerste stuk grond dat Abraham werkelijk bezit in het beloofde land, is een graf.

Niet een akker om te bewerken. Niet een stad om in te wonen. Een graf.

Dat klinkt haast tegenstrijdig. God heeft het hele land beloofd, en het enige wat Abraham in handen krijgt, is een plek om zijn doden te leggen. En toch denk ik dat hier iets wezenlijks gebeurt. Abraham begraaft Sara in het land van de belofte. Hij legt haar daar neer alsof hij wil zeggen: hier horen wij, ook al zien we de vervulling nog niet.

Een graf is een plaats van verlies. Maar in het land van de belofte is het ook een plaats van verwachting. Je legt iemand neer op grond die God heeft toegezegd, en daarmee hou je vast aan wat je nog niet ziet.

De knecht wordt uitgezonden

Dan komt het tweede grote deel van de parasja. Abraham is oud geworden, en hij maakt zich zorgen over een vrouw voor Izak.

Hij roept zijn oudste knecht, degene die over alles wat hij heeft gesteld is, en laat hem zweren dat hij voor Izak geen vrouw zal nemen uit de dochters van de Kanaänieten, maar dat hij zal gaan naar het land van Abrahams familie.

Dat is niet zomaar een voorkeur. Het verbond vraagt dat de lijn van de belofte niet opgaat in het volk rondom. Er wordt gezocht naar trouw aan de oorsprong, niet naar wat het dichtst bij de hand is.

De knecht vraagt: en als de vrouw mij niet wil volgen, moet ik Izak dan daarheen terugbrengen?

Abraham is daar heel duidelijk in. Nee. Izak mag niet terug. De HEERE, Die hem uit zijn vaderland heeft geroepen, zal Zijn engel voor de knecht uit zenden.

Hier hoor ik iets terugkomen van wat we al eerder tegenkwamen. Abraham dwingt de uitkomst niet af. Hij stuurt zijn knecht, hij geeft hem de opdracht, en vervolgens vertrouwt hij het toe aan God Die voorziet.

Er is iets opvallends aan deze knecht. Genesis 24 noemt hem nergens bij naam. Hij heet steeds eenvoudig de knecht van Abraham, of de man. De traditie heeft hem geïdentificeerd met Eliëzer, de man uit Damascus die in Genesis 15 genoemd wordt als Abrahams mogelijke erfgenaam. Of dat werkelijk dezelfde persoon is, zegt de tekst niet, en ik zou daar geen zekerheid van willen maken. Maar de naam die de traditie hem geeft, is wel veelzeggend. Eliëzer betekent: mijn God is hulp. Ik kom daar straks op terug.

Bij de bron van Nahor

De knecht gaat op weg met tien kamelen en allerlei kostbaarheden, en hij komt aan bij de stad van Nahor. Hij laat de kamelen neerknielen buiten de stad, bij de waterput, tegen de avond, op de tijd dat de vrouwen naar buiten komen om water te putten.

En dan doet hij iets wat mij elke keer weer raakt. Hij bidt.

En hij zeide: HEERE! God van mijn heer Abraham! doe mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer. (Genesis 24:12)

Let op waar hij om vraagt. Hij vraagt niet om een teken aan de hemel, niet om iets spectaculairs waaraan hij de uitverkorene zou kunnen herkennen. Hij vraagt om een daad van weldadigheid. Het meisje tegen wie hij zal zeggen: laat toch uw kruik zakken zodat ik drinken kan, en dat dan antwoordt: drink, en ik zal ook uw kamelen drenken, dat zij het zal zijn die God voor Izak bestemd heeft.

Het teken waar hij om bidt, is goedheid in actie. Niet de mooiste, niet de rijkste, niet degene met de beste afkomst, maar iemand die geeft. Aan hem, een vreemde, en aan zijn dieren.

En let eens op wat dat betekent. Een kameel die een lange reis door de woestijn heeft gemaakt, drinkt enorm veel. Een zeer dorstig dier kan na zo'n tocht honderd liter of meer in één keer drinken. Tien kamelen water geven met een handkruik is dan geen klein gebaar van beleefdheid. Dat is werk. Dat is keer op keer de treden afdalen naar de bron, de kruik vullen, weer omhoog, en opnieuw, totdat alle dieren genoeg hebben.

En voordat hij uitgesproken is, komt Rebekka naar buiten, met haar kruik op haar schouder. Zij daalt af naar de bron, vult haar kruik en komt weer boven. De knecht loopt haar tegemoet en vraagt om een slokje water. En zij zegt: drink, mijn heer. En als hij gedronken heeft, zegt zij: ik zal ook voor uw kamelen putten, totdat zij genoeg gedronken hebben.

Precies wat hij gevraagd had.

Er staat dat de man haar zwijgend aanzag, om te weten of de HEERE zijn weg voorspoedig gemaakt had. Dat vind ik een eerlijk detail. Hij weet het nog niet zeker. Hij kijkt, hij wacht, hij houdt het nog even open. Pas daarna buigt hij zich neer en aanbidt hij de HEERE.

Ik denk weleens dat wij dat moment overslaan. Wij willen graag meteen weten of iets van God komt. De knecht laat zien dat je mag kijken en wachten voordat je het benoemt.

Ontvangen en geven bij dezelfde bron

Wat mij bij Rebekka opvalt, is dat zij geeft voordat zij weet wat er op het spel staat.

Zij weet niet dat deze man gekomen is om een bruid te zoeken. Zij weet niet dat er tien kamelen met geschenken bij horen, en dat haar leven binnen een dag een heel andere wending zal nemen. Zij ziet een vermoeide vreemde bij de put, en zij geeft hem te drinken, en zijn dieren erbij.

En juist in dat geven wordt zij gevonden.

Dat doet mij denken aan Abraham, vorige week, bij de opening van zijn tent. Ook hij zag mensen staan, kwam in beweging en ontving hen, voordat hij wist wie zij waren. Bij Rebekka zie ik iets van dezelfde houding terug. Niet grijpen naar wat voor jezelf voordelig is, maar geven aan wie voor je staat.

Over de naam Rebekka is trouwens veel te doen. De herkomst is niet zeker. Sommigen verbinden hem met een wortel die met binden of vastmaken te maken heeft, met het beeld van een dier dat aan de kribbe is vastgezet. Ik zou daar geen leer op willen bouwen, want een naam bewijst nog geen karakter. Maar het valt me wel op dat wat haar naam misschien aanraakt, in haar daden zichtbaar wordt: zij bindt zich, zij blijft trouw, zij doet meer dan gevraagd is.

En dan wordt haar iets gegeven wat zij niet had kunnen bedenken.

Later wordt haar gevraagd of zij mee wil gaan met deze man, naar een land dat zij niet kent, naar een man die zij nog nooit gezien heeft. En zij antwoordt met twee woorden: ik zal gaan.

Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haar mond vragen. En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult gij met dezen man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken. (Genesis 24:57-58)

Ook dat is geen grijpen. Zij neemt het leven dat haar wordt aangeboden niet in beslag, zij wordt er ook niet toe gedwongen. Haar wordt gevraagd, en zij zegt ja. Zij ontvangt wat voor haar is voorzien, en zij gaat. Ik moet daarbij denken aan Abraham zelf, die te horen kreeg: ga uit uw land. En aan wat Israël later bij de berg zou antwoorden: alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen. Het is telkens hetzelfde: het vertrouwde loslaten op gezag van een woord.

Van de bron Lachai-Roï het veld in

Dan komt de ontmoeting, en de tekst vertelt die heel verstild.

Er staat dat Izak van de weg van de bron Lachai-Roï kwam, want hij woonde in het zuiderland.

Izak nu kwam, van daar men komt tot den put Lachai-Roi; en hij woonde in het zuiderland. En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond. (Genesis 24:62-63)

Daar valt die bron me weer op. Lachai-Roï betekent de bron van de Levende Die mij ziet. Dat is de plaats waar Hagar God ontmoette toen zij er in haar nood het einde van zag, de bron waar we vorige week nog bij stilstonden. En nu lezen we dat Izak juist vandaar komt. Hij beweegt zich vanuit de nabijheid van de God Die ziet.

Izak gaat tegen de avond het veld in om te bidden, of om te overpeinzen. Het Hebreeuwse woord dat hier staat, komt maar zelden voor, en de betekenis is niet helemaal zeker. De Statenvertaling kiest bidden; anderen lezen peinzen, overdenken, of mijmeren. In elk geval is het een mens die zich in de stilte tot God keert, terwijl hem ongemerkt gegeven wordt waar hij op wacht.

Hij heft zijn ogen op en ziet de kamelen aankomen. En Rebekka heft haar ogen op en ziet Izak, en zij glijdt van haar kameel af. Zij vraagt: wie is die man die ons in het veld tegemoetkomt? En als zij hoort dat het haar heer is, neemt zij een sluier en bedekt zich. Een gebaar van eerbied.

En dan die zin die ik bijna niet kan lezen zonder stil te worden:

En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood. (Genesis 24:67)

Daar sluit de cirkel. De parasja begon met de dood van Sara en met een lege tent. En zij eindigt met een nieuwe vrouw die in die tent wordt gebracht, en met een zoon die getroost wordt. Het leven van Sara gaat door, niet doordat iemand de dood heeft overwonnen, maar doordat God voorziet in wat verder moet.

Een oude lezing: de knecht als beeld van de Geest

Nu wil ik een stap zetten die ik uitdrukkelijk als een lezing wil aanbieden, en niet als bewijs. Door de eeuwen heen is dit hoofdstuk gelezen als een beeld. Ik vind dat beeld te mooi en te samenhangend om onbesproken te laten, maar ik wil er eerlijk bij zeggen dat het een laag is die wij over de tekst heen leggen. De eenvoudige geschiedenis blijft staan; dit komt daar bovenop.

In die lezing staat Abraham voor de Vader. Izak voor de Zoon, die op Moria op het altaar lag en, zoals de brief aan de Hebreeën het zegt, bij gelijkenis uit de dood werd teruggekregen. En de naamloze knecht voor de Heilige Geest.

Kijk dan nog eens naar die knecht. Hij draagt geen eigen naam in dit hoofdstuk, en als de traditie hem toch een naam geeft, is het Eliëzer: mijn God is hulp. Dat raakt precies aan de naam die Yeshua aan de Geest geeft. Hij noemt Hem de Trooster, de Helper, Die naast je staat.

En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid. (Johannes 14:16)

En let op hoe deze knecht zich gedraagt. Hij spreekt niet over zichzelf. Van begin tot eind gaat het hem niet om zijn eigen positie, maar om zijn heer en om de zoon. Hij vertelt over de rijkdom van zijn meester, hij deelt de geschenken uit, hij richt alle aandacht op Izak en op de erfenis die voor hem is. Zo spreekt Yeshua ook over de Geest: Hij zal niet van Zichzelf spreken, maar Hij zal de Zoon verheerlijken en nemen uit wat van Hem is.

Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. (Johannes 16:14)

En dan de weg zelf. De knecht wordt uitgezonden naar een ver land om een bruid te halen. Hij geeft haar geschenken, zilver en goud en klederen, en hij leidt haar door de woestijn heen, totdat zij bij haar heer aankomt. Je kunt daar het werk van de Geest in zien: Die gaven uitdeelt, Die een bruid toebereidt en haar door de wildernis van dit leven begeleidt, op weg naar de ontmoeting.

Ik zeg niet dat Genesis dit alles met zoveel woorden bedoelt. Ik zeg wel dat de lijnen opvallend samenvallen, en dat het beeld iets laat zien van hoe God werkt: de Vader zendt, de Geest zoekt en begeleidt, en de bruid wordt tot de zoon gebracht.

En wat het zegt over Gods trouw aan Zijn volk

Als je die lijn nog iets verder doortrekt, zie je er ook iets in van Gods trouw aan Zijn volk.

De eed die Abraham zijn knecht laat zweren, rust niet op toeval maar op de belofte die God zelf gezworen heeft, in Genesis 15 en opnieuw op Moria. Dat de bruid niet uit Kanaän mag komen, zegt iets over heiliging: het volk van de belofte gaat niet op in de volken rondom, maar blijft trouw aan zijn oorsprong. Rebekka's ik zal gaan is het antwoord dat God telkens zoekt, hetzelfde ja dat Abraham gaf en dat Israël bij de Sinaï uitsprak. En zoals de knecht de bruid veilig door de wildernis bracht, zo gaat God met Zijn volk mee door de geschiedenis heen.

En de ontmoeting in de avond, als de bruid wordt thuisgebracht, laat zich lezen als een beeld van wat eens voleindigd wordt. De profeet Hosea verwoordt het zo:

En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. (Hosea 2)

De kern van deze geschiedenis is dan ook niet de romantiek van twee mensen. De kern is de betrouwbaarheid van de God van Abraham. Abraham is oud, Sara ligt begraven in de spelonk van Machpela, en toch staat de belofte vast. God voorziet in de weg, Hij wekt het gewillige hart, en Hij volvoert wat Hij heeft gezegd, tot aan die ontmoeting in het veld.

De oude koning en twee manieren van koning worden

De haftara die bij deze parasja gelezen wordt, brengt ons bij een andere oude man. David is oud en hoogbejaard geworden, en hij wordt niet meer warm.

En terwijl de koning zwak op bed ligt, gebeurt er iets in de marge dat alles met onze parasja te maken heeft.

Adonia, een van Davids zonen, verheft zichzelf.

Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagenen en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht. (1 Koningen 1:5)

Ik zal koning zijn. Dat is de houding die de Schrift ons hier laat zien. Hij wacht niet af, hij vraagt niet, hij ontvangt niet. Hij neemt. Hij regelt wagens en mannen, hij houdt een feestmaal, hij nodigt zijn bondgenoten uit en laat juist diegenen weg die hem in de weg zouden staan.

Daartegenover staat Salomo, die niets doet. Salomo verheft zichzelf niet. Hij roept geen mannen bijeen en houdt geen feest. Hij wordt koning doordat het hem gegeven wordt, door het woord en de eed van zijn vader, op het moment dat Natan en Bathseba de oude David eraan herinneren wat beloofd was.

Hier zie ik hetzelfde onderscheid terug dat door de hele parasja loopt. Er is een manier om koning te worden door te grijpen, en er is een manier om koning te worden door te ontvangen. Adonia grijpt. Salomo ontvangt.

En de Schrift laat er geen twijfel over bestaan welke van de twee standhoudt. Het koningschap dat gegrepen wordt, stort in. Het koningschap dat ontvangen wordt, blijft.

Levend water

En dan de put van Jakob.

Yeshua is moe van de reis en gaat bij de bron zitten. Het is omtrent het zesde uur, het heetst van de dag. Er komt een vrouw uit Samaria om water te putten, en Hij zegt tegen haar: geef Mij te drinken.

Daar zit Hij, net als de knecht lang geleden, bij een bron, en Hij vraagt een vrouw om water.

Maar dan draait het om. Want Hij spreekt over een water dat Hij zelf geeft.

Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. (Johannes 4:14)

Bij de put van Nahor werd een bruid gevonden die water gaf. Bij de put van Jakob staat Degene Die zelf het water is. De vrouw komt met haar kruik, zoals Rebekka met haar kruik kwam, maar zij hoort dat er een bron is die zij niet hoeft op te halen uit de diepte. Een bron die gegeven wordt, en die in de mens zelf gaat opspringen.

Johannes legt elders uit dat Yeshua met dat levende water de Geest bedoelde, Die gegeven zou worden. En daarmee komen de lijnen bij elkaar. De knecht die een bruid zocht bij de bron, en de Geest Die in de gelovige een bron wordt: het is hetzelfde water dat van buiten komt en toch binnen in je gaat leven.

Ik vind het veelzeggend dat ook deze vrouw het eerst niet begrijpt. Zij denkt aan de put, aan het emmeren, aan de last van elke dag opnieuw naar buiten gaan om water te halen. En Yeshua laat haar zien dat het water dat Hij geeft, van een andere orde is. Het is geen water dat je grijpt. Het is water dat je ontvangt.

En daarmee komen we bij de tekst die boven de lezing van deze week staat.

De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat. (Mattheüs 4:4)

De knecht leefde bij een woord. Hij bad, en hij wachtte tot God antwoordde. Rebekka leefde bij een woord: zult gij met dezen man trekken, en zij zei, ik zal gaan. Salomo werd koning bij een woord, de eed van zijn vader. En de vrouw bij de put hoorde een woord over levend water.

Telkens gaat het niet om wat de mens zelf voortbrengt of veiligstelt, maar om wat uit de mond van God komt en ontvangen wordt.

Ontvangen wat je niet kunt grijpen

Als ik deze parasja overzie, zie ik een lijn die ik herken uit mijn eigen leven, en misschien herken jij haar ook.

Wij willen graag grip. Wij willen de uitkomst veiligstellen, de toekomst regelen, de belofte in handen hebben. En de Schrift laat ons in Abraham een man zien die het hele land beloofd heeft gekregen en die begint met het kopen van een graf. Die geen vrouw voor zijn zoon afdwingt, maar zijn knecht uitzendt en het toevertrouwt aan God. Die oud sterft, verzadigd van dagen, en begraven wordt door zijn twee zonen samen, Izak en Ismaël, bij diezelfde spelonk waar hij Sara had neergelegd.

Tegenover die houding staat Adonia, die zegt: ik zal koning zijn. En wij weten hoe dat afloopt.

Ik denk dat de vraag die deze parasja aan ons stelt, eenvoudig is en tegelijk moeilijk. Durven wij te ontvangen wat wij niet kunnen grijpen? Durven wij te geven bij de bron, zoals Rebekka, zonder eerst te weten wat het ons oplevert? Durven wij te wachten en te kijken, zoals de knecht, voordat wij alles willen vastleggen?

Want de belofte komt niet door onze greep. Zij komt door Degene Die voorziet. Bij de tent, bij het graf, bij de bron. De Vader zendt, de Geest zoekt en begeleidt, en de bruid wordt thuisgebracht.

En het water dat werkelijk leeft, is het water dat gegeven wordt.

Ik wens je toe dat je deze week iets van die rust mag vinden. Dat je je handen mag openen voor wat God geeft, en dat je mag drinken van de bron die niet opdroogt.